Geplaatst door: 
Verhaal

Vrijmetselarij in Noord-West Overijssel

Vrijmetselarij in Noord-West Overijssel

Vrijmetselarij, wat is dat?

De vrijmetselarij is een drie eeuwen oude Orde van mannen die in de vorm van een Broederschap met elkaar omgaan - daarom noemen ze elkaar ook "broeder" (broeder Wim, Broeder Jan, etc). Ze hebben regelmatig terugkerende bijeenkomsten waarin zij met elkaar op een respectvolle wijze discussiëren, en ook rituelen beoefenen waarin oude symbolen een grote rol spelen. Het heet dat deze rituelen supergeheim zijn. Daarom wordt de vrijmetselarij ook wel eens een "geheim genootschap" genoemd. Laten we over die geheimzinnigheid kort zijn: In vroeger tijden vormden vrijmetselaren inderdaad een strikt gesloten gezelschap, waar het moeilijk was binnen te komen. Vandaar ook de wilde verhalen die de ronde deden. Tegenwoordig echter is de vrijmetselarij veel opener.

 

 

Doelstellingen van de vrijmetselaar

Met nadruk heb ik het over "de" vrijmetselaar. De Vrijmetselarij, i.c. de groep, streeft namelijk geen ideologische, religieuze of politieke doelstellingen na, en heeft daarom ook geen vaststaande leerstellingen of dogma's. De vrijmetselarij is namelijk gericht op het individu, niet op de groep. De vrijmetselarij biedt de individuele mens een platform met behulp waarvan hij, in samenwerking met zijn broeders, zichzelf kan ontwikkelen, verstandelijk maar ook emotioneel, tot een beter mens. En dat in volle vrijheid. Daarbij staat de persoonlijke verantwoordelijkheid voorop. Dit betekent niet dat er sprake is van navelstaarderij, want vrijmetselaren worden wel geacht maatschappelijk betrokken te zijn. Vandaar ook dat menig bestuurder of politicus vrijmetselaar was of is.

 

 

Vrijmetselarij in Noord-West Overijssel

Zoals reeds aangeduid, is de vrijmetselarij heel oud. De bloeitijd was vanaf het begin van de 18e eeuw, eerst in Schotland en Engeland, later op het Europese vasteland. Vrijmetselaren komen bijeen in zogenoemde "loges", een afgeleide van het Engelse "Lodge", te vertalen met (grote) hut of loods.

Dat voert weer terug op de gilden van "vrije metselaren" die in de middeleeuwen bijeenkwamen in gesloten ruimten, die dan ook alleen maar toegankelijk waren voor leden van zo'n gilde. Alleen leden die het wachtwoord ken(d)en werden binnengelaten.

Welnu, aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw kende in Noord-West Overijssel reeds een aantal vrijmetselaarsloges. Tussen 1764 en 1802 werden achtereenvolgens de loges L'inébranlable (= De Onwankelbare, te Zwolle), Le Profond Silence (De diepe Stilte, te Kampen) en Fides Mutua (Wederzijdse Trouw, te Zwolle) opgericht. Van deze drie bleek de Onwankelbare toch niet zo onwankelbaar (hield het uit tot 1788), en diens eigenlijke opvolger was Fides Mutua. Zowel de loge te Kampen als de loges in Zwolle, beschikken over een eigen gebouw in de respectievelijke binnensteden. Fides Mutua bijvoorbeeld betrok het eigen gebouw aan de eerbiedwaardige Bloemendaalstraat reeds in 1867 voor de prijs van 5415 guldens. Nu is het gebouw via de constructie van een stichting eigendom van de drie Zwolse loges samen.

De inrichting van een logebouw is ruwweg overal hetzelfde: er is een hal, een keuken (waar de broedermalen worden gekookt), een zogenoemde voorhof (waar de reguliere bijeenkomsten plaats vinden), een bestuurskamer, en de tempel (oude term) of werkplaats (moderne term) waarin de "open loges" ofwel de rituelen worden opgevoerd. Deze rituelen behelzen: de opneming in de broederschap - iemand wordt dan, ingewijd tot leerling-vrijmetselaar; de bevordering tot gezel; en tenslotte de verheffing tot meester-vrijmetselaar. In deze volgorde herkent men duidelijk de traditie uit de middeleeuwse gilden: leerling, gezel, meester. Behalve deze drie rituelen kent men enkele andere, zoals de opening van het werkjaar. Al deze rituelen zijn voor de gemiddelde vrijmetselaar van groot persoonlijk belang. Via deze rituelen wordt de vrijmetselaar aangemoedigd te werken aan zichzelf.  

 

 

Hieronder volgt een deel van een artikel, geschreven door Jaap Poetsma, uit het gedenkboek dat, naar aanleiding van het 200-jarig bestaan van loge Fides Mutua te Zwolle, in 2002 werd uitgegeven:

De Zwolse gaarkeuken en de Sophiaschool

Het waren slechte tijden in Nederland. Er was veel armoede en de arbeidersklasse leed onder werkloosheid en hongersnood. Het sterftecijfer was hoog en er waren veel totaal verpauperde gezinnen. Tien procent van de bevolking van veel steden was afhankelijk van de hulp van kerken - de diaconie - en liefdadigheidsinstellingen. Uit cijfers blijkt dat het drankmisbruik tussen 1850 en 1875 zelfs met 83% was gestegen. De Zwolse vrijmetselaren trokken zich deze armoede erg aan. De wens om goed te doen aan minder bedeelden was toen al heel sterk aanwezig. Er werd gezocht naar een mogelijkheid om vooral iets aan de hongersnood te doen. Natuurlijk konden zij geld geven aan arme mensen. Maar de kans was groot dat de centen in de kroeg zouden worden uitgegeven. Dus geld geven had nauwelijks zin. Toen kwamen de broeders op, een prachtig idee: pannetjes met eten uitreiken. Door mensen voedsel te geven konden zij heel concreet iets doen aan de grote armoede die ook Zwolle teisterde. Om dit te kunnen doen moest een gaarkeuken worden opgezet. Met grote inzet werden de handen uit de mouwen gestoken en in 1872 was de gaarkeuken een feit en kon er dagelijks voedsel worden gegeven aan de armen. Toen al heel gauw bleek dat de broeders met de gaarkeuken een enorme behoefde vervulden, werd er ook nog een "volkskosthuis" opgericht waar daklozen gratis een paar dagen konden verblijven. Al gauw was de gaarkeuken niet meer weg te denken uit de Zwolse samenleving. Veel gezinnen konden door het nobele initiatief van de Zwolse broeders in leven blijven en de zware tijden trotseren in afwachting van betere. De gaarkeuken bleef tot aan de Eerste Wereldoorlog bestaan.

 

 

Meer initiatieven

Tegelijk met het initiatief tot de gaarkeuken, namen de leden van Fides Mutua een ander initiatief voor hun eigen leden. Want er waren ook broeders, en weduwen van overleden broeders, die te lijden hadden onder de barre economische omstandigheden. Voor hen werd daarom in 1873 een schoolfonds opgericht dat de Schoolbeurs werd genoemd. Het bleef niet bij het schoolfonds alleen. In april 1876 werd voorde stad Zwolle een speciale kleuterschool opgericht die geheel door vrijmetselaren werd beheerd: de Sophia Bewaarschool. Dit was heel uitzonderlijk want in die tijd konden alleen openbare kleuterscholen bestaan. Initiatieven van particulieren om een school te stichten, mislukten meestal. In 1884 werd de Sophia Bewaarschool door meer dan 70 kinderen bezocht. Er waren toen vijf medewerksters die een volle dagtaak hadden aan het onderwijzen en opvoeden van de Zwolse kleuters.

De loge te Kampen

Nu lijkt het net alsof alleen loge Fides Mutua van enige maatschappelijke betekenis is geweest. Dat was beslist niet zo. Ook Le Profond Silence, de loge in Kampen, heeft van zich doen spreken. Dit staat geschreven op hun website:

"De directe maatschappelijke betekenis van de Vrijmetselarij was vroeger vaak duidelijker dan nu. Dat komt onder andere omdat in de huidige welvaartsstaat veel meer zaken door de staat worden behartigd. De Loge "Le Profond Silence" heeft zo bijvoorbeeld in 1846 de instelling "Orde en vlijt" opgericht als ondersteuning van behoeftigen en ouderen.

In het midden van de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd zo jaarlijks aan 40 tot 70 kinderen het mattenmaker geleerd. Toen de noodzaak tot instandhouding van deze instelling in 1890 wegviel werd zij opgeheven.

Ook kwam in de vorige eeuw op initiatief van de Vrijmetselaren een schoolbeurzenfonds tot stand om kinderen die goed konden leren te steunen. De Lager Onderwijswet van 1878, die de mogelijkheid van gratis onderwijs kende, maakte het fonds overbodig, zodat het uiteindelijk in 1907 werd opgeheven.

Op vergelijkbare wijze kwam in 1876 de hulpbank voor minvermogenden tot stand. Deze bank steunde burgers die een bedrijf uitoefenden en minvermogenden met voorschotten. De bank functioneerde tot 1940. Gemiddeld werden er paar jaar zo'n tweehonderd leningen verstrekt en tot 1931 was het uitgekeerde bedrag ruim anderhalf miljoen gulden."

Maatschappelijk, ook nu nog

Uit het voorgaande blijkt hoezeer vrijmetselaren in het verleden van Noord-West Overijssel een bijdrage hebben geleverd aan het algemeen maatschappelijk belang. Dat gebeurt echter nog steeds. Het is een vaste gewoonte in vrijmetselaarsloges om tijdens bijeenkomsten collectes te houden voor goede doelen. Aan het eind van een werkjaar krijgen zulke goede doelen dan ook forse bedragen geschonken.

 

Dit artikel is deels eerder verschenen in het tijdschrift Kondschap, maart 2010 en is geschreven door Rudolf H. Smit. 

Reacties