Geplaatst door: 
Verhaal

Vlas, een oud gewas met een nieuwe toekomst

In Kondschap 2011 nr. 2  schreef Ir. Henk van Heerde een artikel over de vlasschuur als erfgoed van de wederopbouw. De gemeente Steenwijkerland, eigenaar van de vlasschuur aan de Flevoweg te Vollenhove, zit met de vlasschuur in zijn maag, aldus Henk van Heerde, omdat het gebouw niet aan de eisen van deze tijd voldoet. Met name de dakbedekking van asbest vormt een tijdbom. Wie nu over de Flevoweg rijdt kan zien, dat aannemer Jongman de dakbedekking inmiddels verwijderd heeft. De metalen spanten zijn nu goed zichtbaar. De achtergevel staat er nog en van de voorgevel is nog een klein gedeelte intact.

Dit artikel is geschreven door Josje Nieuwenhuys uit Sint Jansklooster

 

 

Uit bovengenoemd artikel van Henk van Heerde over de industriebebouwing blijkt, dat er indertijd twee vlasschuren hebben gestaan. Van de meest oostelijk gelegen vlasschuur zijn alleen nog een paar betonnen poeren zichtbaar. Beide vlasschuren werden gebouwd om vlas op te slaan voordat het getransporteerd werd naar Zeeland en België, waar het verwerkt werd. In de bestaande vlasschuur werd overigens niet alleen vlas opgeslagen, maar in een later stadium ook verwerkt.

 

 

Ik vroeg mij af waar het vlas verbouwd werd en waarom. Wat is vlas eigenlijk? Eerst maar eens op het internet googlen. Ik kwam er achter dat al ver, ver voor onze jaartelling in Egypte vlas werd gebruikt als grondstof voor textiel. In graven zijn mummies gevonden, gewikkeld in lijnwaad [1]. Maar wetende, dat niet alles op het internet “waar” is, besloot ik boeken over vlas te lezen. In Van Vlas tot linnen , geschreven door Anneke van Dijk-van der Peijl in 1984 las ik, dat de Phoeniciërs, een zeevarend handelsvolk, het vlas verspreid heeft naar West-Europa. Karel de Grote zou de vlasteelt gestimuleerd hebben. Er moesten voldoende lijngaren, wol en verfstoffen aanwezig zijn in het zogenaamd “vrouwenhuis”[2] om ledigheid te voorkomen.

Wat is vlas?

Ons woord ‘vlas’ is afkomstig van het Germaanse woord ‘flaks’. Engelsen noemen het ‘flax’. In het Latijn is het  ‘linum’, waar ons woord ‘lijn’ (linnen) vandaan komt. Zie woorden als lijnzaad, lijnbaan en lijnolie. Een doorsnede van de stengel laat zien dat vlas een bast- of stengelvezelplant is. De vezelbundels, die tot linnen gesponnen worden, zitten vast met lijmstof.

Nieuwe toepassingen van vlas

Tegenwoordig wordt vlas niet alleen voor textiel toegepast. Vlas wordt ook samen met carbon en andere kunstharsen gebruikt bijvoorbeeld voor het maken van voorvorken van lichtgewicht racefietsen en onderdelen voor auto’s, vliegtuigen en schepen. Vlas is misschien de sleutel tot een eco-toepassing van natuurlijke materialen in moderne auto’s en vliegtuigen. Er wordt nog steeds veel vlas verbouwd en verwerkt. Met name in Frankrijk, Rusland als ook in Noord Ierland. Een voordeel van vlas is dat het nauwelijks kunstmest nodig heeft.

Voor geïnteresseerden verwijs ik graag naar de film Lint and Linen, The Story of the Flax.

Er zijn twee soorten vlas, namelijk vezelvlas en olievlas

1.   Van vezelvlas wordt vlaslint (vlaslont) gemaakt voor het maken van linnen kleding en beddengoed. Linnen kleding neemt veel vocht op en ademt. Het voelt bij warme dagen heerlijk koel aan. Het werd ook toegepast om scheepszeilen te maken en touw. En niet te vergeten: verband om wonden mee te verbinden. Zelfs werd het gebruikt als chirurgisch hechtmateriaal. Toen er meer en meer synthetische garens en katoen werden toegepast, kwam de klad in het gebruik van vlas voor textiel.

2.   Van olievlas worden de zaadbolletjes gebruikt om er lijnolie van te maken, o.m. als basis voor verf en stopverf. Ik herinner me nog de reuk van de Ripolin verffabriek in Hilversum, toen ik daar een halve eeuw geleden dagelijks langs kwam op weg naar mijn eerste baantje. Het overschot van lijnoliezaden kan gebruikt worden in diervoeding. Lijnkoeken zouden gezond zijn voor paarden en koeien hoorde ik vertellen.

 

 

Vlasteelt in de Noordoostpolder

Bij navraag bij gepensioneerde boeren uit de Noordoostpolder of daar vlas verbouwd werd en zo ja, waarom, begreep ik dat er na de tweede Wereldoorlog en ten tijde van de Koreaans oorlog behoefte bestond aan textiel. Bovendien zou vezelvlas ook onkruid onderdrukken, met name klein hoefblad. Ik maakte een afspraak met Rudolf Bierma aan de Ettenlandseweg te Marknesse. Die wist te vertellen dat bij Harlingen bodemvondsten zijn gedaan, waaruit zou blijken dat ver voor onze jaartelling daar al vlas verbouwd en verwerkt werd. Hij leende mij een boek uit 1935 dat nog van zijn vader was geweest: Van den mond der oude Middelzee, geschreven door K.J. van den Akker. Bierma was er erg zuinig op, maar ik mocht het toch lenen toen ik beloofde het diezelfde week nog terug te brengen.

 

 

De tekeningen van de diverse vlasbewerkingen komen uit dat boek en zijn van de hand van Ids Wiersma. Aan de wand in Bierma’s schuur hangen wat schoven vlas. De linkerschoof is machinaal getrokken en heeft minder wortels dan de meest rechtse bos, die met de hand is getrokken.[3]  De middelste schoof is gerepeld, te zien aan de twee bandjes (één in het midden en één onder).

 

 

Ook is het apparaat te zien waarmee met de hand gerepeld werd. Bierma vertelde dat tien man één hectare vlas per dag met de hand trokken. Daar kwamen zelfs mensen uit België voor over om te helpen. De Belgen hadden veel ervaring met vlas.

Bierma kende een gedichtje:

Eerst ben ik jong en schoon

Dan draag ik een gouden kroon

Word ik oud en stijf

Slaan ze mij op het lijf

Ben ik genoeg geslagen

Dan word ik door heren en dames gedragen.

Vlasschuren

Bierma vertelde me over de twee vlasschuren aan de Flevoweg. In de nog bestaande vlasschuur werd het vlas niet alleen opgeslagen maar ook machinaal verwerkt. Hierbij ging wel eens wat mis. Zo verloor de heer Heetebrij uit Heetveld (de vader van architect Joop Heetebrij) daarbij een deel van zijn arm. Na het repelen  werd het vlas getransporteerd naar Zeeland en België voor het roten en verdere verwerking van de vlasvezels. Zoals Henk van Heerde schreef ging het transport voor het grootste deel over water, maar het werd ook per vrachtauto vervoerd. Daar zorgde de heer Pals sr. uit Marknesse voor.

Naast deze vlasschuur stond er nog een gebouw, maar zonder muren, voor opslag van vlas uit de Noordoostpolder. Een zogenaamde industriële hangar. De heer Bruggeman uit Vollenhove was van deze opslagschuur de eigenaar. Aan deze schuur moesten dure bouwkundige werkzaamheden worden verricht. Reden voor de eigenaar te kiezen voor afbreken en doorverkopen van nog bruikbare bouwmaterialen. Wat nog bruikbaar was, zou naar een boer bij Nagele gaan, wiens schuur afgebrand was. Een hevige storm zorgde er echter voor dat de stalen spanten omvielen en vervormd op de grond lagen. Nu zijn alleen nog een paar betonnen poeren van deze schuur zichtbaar. Voor hoe lang nog?

Rudolf en Ali Bierma, beiden afkomstig uit Friesland, herinneren zich nog goed dat het Frysk Gezelschap in de nog bestaande vlasschuur bij elkaar kwam. Ook de groep Normaal trad er op. Ik vroeg of er ook een toilet was. Dat zat buiten aan de achtermuur, maar bij toilet moest ik me een poepdoos voorstellen. Aan de wand in zijn schuur hangt nog een rond deksel van zo’n oude poepdoos. Veel mensen uit de regio denken nog met plezier terug aan de tijd, dat zij met vrienden daar gezellig bij elkaar kwamen om samen een biertje te drinken. Maar aan deze feestelijke bijeenkomsten kwam begin jaren tachtig een eind, omdat de bouwkundige staat van de vlasschuur te slecht zou zijn. Als accommodatie voor feesten en partijen kwam eerst de Stadsdoelen en daarna De Burght. De laatste jaren gebruikten de 4V’s [4] de vlasschuur voor opslag van materialen en bouwden diverse corsoverenigingen er hun corsowagens. Totdat de eigenaar van de vlasschuur (gemeente Steenwijkerland) het gebruik van de vlasschuur niet meer verantwoord achtte.

Vlasbewerking: niet voor watjes

De vlasserij bestaat enerzijds uit de vlasteelt, een landbouwactiviteit en anderzijds uit de vlasbewerking, een landbouwnijverheid. Het vlas is een plant met een hoogte van circa zestig cm. Het heeft een gladde stengel en kleine blaadjes zonder steel. Het wordt in Nederland omstreeks de honderdste dag van het jaar, begin april, gezaaid.

 

 

Ongeveer honderd dagen na het inzaaien vanaf de langste dag (rond Sint-Jan) tot half juli werd het vlas getrokken. Het uit de grond trekken en bundelen werd vroeger met de hand gedaan. Zwaar werk, dat vaak bij warm weer gebeurde. Tegenwoordig wordt het vlas machinaal getrokken.

 

 

Vlas bloeit meestal met kleine blauwe of witte bloemetjes. Maar een violette variant  komt ook voor. Een prachtig gezicht zo’n kleurig veld bloeiend vlas, golvend en wiegend in de wind. Na de oorlog werd vlas in de Noordoostpolder verbouwd. Er was behoefte aan textiel. Ook had vlas het voordeel dat het de groei van onkruid tegen ging, omdat het dicht op elkaar gezaaid werd. Vlas paste daarom goed bij een gemengd bedrijf in de Noordoostpolder. Boeren konden er luzerne (klaver) of gras tussen zaaien. Als het vlas eraf was, had je een mooie weide voor de koeien.

Het getrokken vlas werd in ongebonden bossen (schranken of kapellen) één à twee dagen te drogen gezet. Vervolgens werden ze gebonden om na te rijpen door ze gedurende een week rechtop te zetten op ruiters (ook wel mijten of schelven genoemd). Half augustus werd het vlas van het land naar huis of schuur gemend en daar opgetast. Alle verdere bewerkingen konden meteen of later worden uitgevoerd, afhankelijk van het beschikbare personeel.

Bewerkingen

Eerst moesten de zaadknoppen verwijderd worden. Dat zogenaamde repelen gebeurde met behulp van ijzeren repelkammen. Het repelen gebeurde vroeger ook buiten op het land, op een groot zeil en werd meestal door mannen gedaan.

 

 

Daarna werd het vlas geroot door de stengels in water te leggen (in sloten en poelen), om de gomachtige stoffen die vezel en bast verbinden door bacteriën op te lossen.

 

 

Roten van het vlas

Na het roten en drogen (dat een paar maanden duurde) begon de vlasser aan bewerkingen. Eerst moest de houten stengel, waar de vezels nu los omheen lagen, verwijderd worden: het braken. De houtpijp werd gebroken met de handbraak of met een van ribbels voorziene beukhamer. In latere tijden gebruikte men een soort wringer, bestaande uit een cilinder met ribbels, ook wel brakel genoemd.

 

 

Om het vlas te ontdoen van de laatste houtachtige delen, werd het gezwingeld. Dat was een vak apart. Eerst werd het boveneind en daarna het worteleind oppervlakkig met een grove houten spaan[5] (de rauwslager) behandeld. Daarna met een fijne spaan (de schoonslager) schoon gezwingeld. De arbeidsomstandigheden in het braakhok en zwingelkot waren erbarmelijk. Geen stofafzuiging, geen ventilatie, met als gevolg: stoflongen. Het pruimen van zwingelaarstabak zou wat verlichting geven.

Het schoongezwingelde vlas werd in knotten gedraaid en afgewogen. Het afval (de scheven) werd aan de bakker verkocht voor het stoken van zijn oven. Vlasafval werd voor vele doeleinden gebruikt, zoals plaatmateriaal voor de bouw. De loodgieter gebruikte vlasvezel als afdichtingsmateriaal.

 

 

En ten slotte werden met behulp van hekelkammen de vlasvezels verder ontward en gereinigd en was het gereed om (nat) gesponnen te worden. Aan het spinnenwiel was een bakje met water bevestigd zodat de spinster haar vingertoppen vochtig kon houden. Daarna kwam de laatste fase: het weven. Al met al geen werk voor watjes!

Na 1920 deed de stoommachine zijn intrede in de vlasverwerking en kwamen er stofafzuigkappen. Tegenwoordig wordt het verwerken van vlas geheel mechanisch gedaan in grote fabrieken.

 

 

Wat gaat er straks gebeuren met de vlasschuur?

Ik hoop dat als de vernieuwde vlasschuur straks wordt opgeleverd dit beeldbepalende gebouw nog een lange en mooie toekomst tegemoet zal gaan. In gedachten ga ik terug naar de mensen die in het verleden daar zo hard gewerkt hebben onder zulke stoffige omstandigheden. Ook leden van diverse corsogroepen hebben er kei en keihard gewerkt. Ook zij zijn geen watjes. Maar waar de vlasschuur in de toekomst voor zal worden gebruikt? Dat is koffiedikkijken.


[1] Lijnwaad is een doek waar een overledene in werd gewikkeld voor de ter aarde bestelling. Lijnwaad werd veelal van linnen geweven, maar soms kwam het voor dat de grondstof katoen was. Lijnwaad is dus geen andere benaming voor linnen.

[2] In artikel 43 van het door Karel de Grote uitgevaardigde “Capitularia de Villes” staat vermeld, dat het verwerken en het spinnen centraal gebeurde in het zogenaamde “Vrouwenhuis”.

[3] Aardappelen en bieten worden gerooid, tarwe wordt geoogst en vlas wordt getrokken.

[4] Vollenhoofse Vereniging voor Volksvermaken.

[5] Een platte stok.

Reacties