Verhaal

'Eene zee van jammeren.' Oorzaken en gevolgen van de watersnoodramp van 1825

Auteur: 
Wim ter Meer en Jan Simon van der Linde

Wanneer je over de kronkelige dijk van Zwartsluis naar Kuinre rijdt, zie je af en toe aan beide kanten kolken liggen. Deze herinneren eraan dat de dijk in het verleden op die plaatsen is doorbroken. De kolken, al dan niet dichtgegroeid in de loop van der tijd, zijn de meest zichtbare overblijfselen van watersnoodrampen die Noordwest-Overijssel hebben geteisterd.

Oorzaken van de overstroming van 1825

De grootste ramp vond plaats op 4 februari 1825. Een noodlottige samenloop van omstandigheden leidde ertoe dat de dijken op vele plaatsen het begaven. In hetzelfde jaar nog schreef Ter Pelkwijk er een verslag over, waarin hij erop wijst dat er in de laatste maanden enorm veel water was gevallen. Bovendien was het waterpeil van de lJssel en de Zuiderzee door de stormen behoorlijk gestegen. In Kampen bijvoorbeeld stond het water ruim twee meter boven het Amsterdams peil. Door die grote regenval en het hoge waterpeil waren de dijken 'zeer doorweekt en verzwakt'.

Een andere oorzaak voor de ramp was het achterstallig onderhoud. Als gevolg van de economische recessie waarmee ons land te kampen had in de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw, waren de dijken niet voldoende onderhouden. Kennelijk had men niets geleerd van de overstromingen van 1775 en 1776, want daarna werden de dijken weinig of helemaal niet hersteld. Dat was lang goed gegaan, maar een halve eeuw later zou een enorme storm hier een eind aan maken.

Een derde oorzaak was dat het op 3 februari volle maan was. De derde invallende vloed na deze maanstand is dan de hoogste, een springvloed. Deze vond plaats op vrijdagavond 4 februari 1825. Bovendien bevond de maan zich op dat moment dicht bij de aarde, wat tot gevolg had dat de springvloed buitengewoon hoog was. Door deze samenloop van omstandigheden kreeg de storm die op 4 februari opstak, een orkaankracht. De gevolgen van het slechte dijkonderhoud kwamen snel aan het licht. Ter Pelkwijk beschrijft het zo:

'De vloed van 1776 was de zwaarste, welke in het geheugen was overgebleven, en men was daarom algemeen in de waan, dat dezelve door geenen opvolgenden zouden kunnen overtroffen worden. De droevige ondervinding echter heeft in de maand februarij dezes jaars het tegendeel, ten koste van het leven en de bezittingen van velen, meer dan te veel bewezen, daar Overijssel toen eene ramp heeft moeten ondergaan, waarbij al het vorige, welke nog in het geheugen zijn gebleven, in geen- en deele kunnen vergeleken worden (...) Thans konden de reeds zoo zeer verzwakte dijken het verbazende geweld van eene zoo hooge zee en eenen zoo zware storm met geene mogelijkheid doorstaan'.

Plaatsen waar de dijken het begaven

De eerste doorbraak vond plaats in de Bentdijk, ten zuiden van Vollenhove, tussen zes en zeven uur 's ochtends. Om zeven uur bezweek de dijk van Barsbeek en om half acht braken de dijken tussen Vollenhove en Blokzijl. Tussen negen en tien uur was er een grote dijkdoorbraak bij het Zand, ten noorden van de Moespot, waarbij vijf huizen wegspoelden.

52: in den Bentdijk, bij den ouden doorbraak van Wendel
53: ten noorden van de Moespot, bij het Zand
54: tegen de uitwatering naar de Beulakerwijde
55: tegen het land van de heer Baron de Vos van Steenwiik tot Dikninge
56: ten zuiden van de Kostverloren Kolk
57: tegenover de vergraven esch
58: bij het zoogenaamde Kleine Kolkje
59: bij het huis van J.A. de Lange
60: bij het huis van H.A. de Lange
61: bij de Baarlinger Kolken

Uit dit overzicht blijkt, dat er voor de ramp van 4 februari ook al kolken waren, die waren ontstaan bij eerdere doorbraken. De aanwezigheid hiervan duidde op de kwetsbaarheid van het dijkvak.

Omvang en diepte van de doorbraken

Het grootste aantal dijkbreuken telde Zwollerkerspel (20), terwijl het gebied Zwartsluis-Blokzijl er 13 kende. De grootte van de dijkdoorbraken verschilde nogal. De grootste doorbraak qua lengte was nummer 51 (niet op het kaartje): bij de Kromme Kolk ten zuiden van de Krieger. Deze had een lengte van 160 meter. De kleinste doorbraak (nummer 60), had een lengte van 'slechts' dertig meter. Ook de diepte verschilde. De diepste kolk was nummer 50, tegenover het Redelinger Kolkje. Deze was vijftien meter diep. De doorbraak ten noorden van de Moespot bij het Zand (nummer 53, ook niet op het kaartje) had daarentegen 'slechts' een diepte van één meter.

In het 'Gedenkstuk' wordt over de lengte van de doorbraken opgemerkt: ‘Bij de hier nevens dijkbreuken, vanaf de gemeente Zwartsluis, langs het huis den Noord, den Krieger en Wendele tot bii Vollenhove, en verder in de zeedijken langs Blokzij| en Blankenham tot aan de Kuinre, kan men veilig stellen, dat de genoteerde af- en doorspoelingen, bij elkaar gerekend, ten minste eene lengte van plus minus 10.000 ellen opleveren, welke men, daar meest alles tot op het maaiveld is doorgeslagen, als doorlopend gat kan beschouwen'.

In die tijd stond een el gelijk aan een meter, zodat de totale lengte van de doorbraken tien kilometer bedroeg. Binnen zeer korte tijd stond het aan de zee grenzende deel van Overijssel onder water. Maar ook de lager gelegen gebieden verderop, zoals Kolderveen, Nijeveen, Meppel, Havelte, Staphorst, Nieuwleusen, Zwollerkerspel en Dalfsen troffen een zelfde lot. De hoger gelegen gebieden, waaronder Steenwijkerwold en kleine gedeelten van de gemeenten Vollenhove en Oldemarkt, kwamen er beter vanaf. Het laagste punt van het water werd gemeten in de hoogst gelegen huizen van Blokzijl aan de Bierkaai: vijf centimeter. Het hoogste punt van het water lag, vanzelfsprekend, in de laagste veenderijen: drie meter. Volgens Ter Pelkwijk besloeg het overstroomde gedeelte 'omtrent 17 vierkante Duitsche mijlen, ruim 932 vierkante Nederlandsche mijlen of 93000 Bunder; zoodat 3/11 deelen van geheel Overijssel onder water zijn geweest'.

Gevolgen voor mens en dier

De gevolgen van de ramp waren enorm. Wat het aantal dodelijke slachtoffers betreft, werd Kampen het zwaarst getroffen. Deze stad telde er 48, gevolgd door lJsselmuiden (35) en Steenwijkerwold (34). Maar als je het aantal overledenen relateert aan de toenmalige bewonersaantallen, dan ligt de situatie anders. Blankenham verloor 28 van zijn 280 inwoners, wat neerkomt op 10% en mag om die reden de gemeente worden genoemd die het meest had te lijden. lJsselmuiden telde 35 doden op een bevolking van 1089 mensen en had dus 3,2% van zijn mensen te betreuren en Grafhorst moest zes van zijn 290 mensen aan de golven prijs geven, wat een verlies betekende van 2,1%. Het schoutambt Vollenhove verloor 1% van zijn bevolking, namelijk 14 van de 1347 inwoners. In Stad Vollenhove kostte de ramp geen mensenlevens. Van de 63.439 mensen die in het rampgebied woonden, lieten er 305 het leven. Dat is 0,5%. De meeste gebouwen gingen verloren in de gemeenten Zwartsluis (262), Giethoorn (261) en Zwollerkerspel (258), samen 27% van alle verdwenen huizen. De meeste dieren verdronken in Zwollerkerspel (3039 of 20%), gevolgd door Kampen (2450 of 16%) en Staphorst (2113 of 14%). Maar wanneer we het aantal verdronken dieren weer afzetten tegen het totale aantal dieren van elke gemeente, zoals dat bij de in 1824 gehouden telling was vastgesteld, dan krijgen we een heel ander beeld.

Net als bij het percentage menselijke slachtoffers is ook hier Blankenham koploper. Deze gemeente verloor 1214 van de 1456 dieren of 83,4% van al haar dieren. Op de tweede plaats komt dan Kamperveen met een verlies van 70,6% van zijn veestapel (808 van de 1144) en op de derde plaats lJsselmuiden met een verlies van 65,1% (790 van de 1213 stuks vee). Bij zowel Schoutambt als Stad Vollenhove lagen de percentages aanzienlijk lager. Schoutambt Vollenhove verloor 16% aan vee (338 van de 2106) en Stad Vollenhove raakte slechts één van zijn 348 runderen kwijt. Dit is 0,3%. Wanneer we het totale aantal verdronken dieren uit het rampgebied afzetten tegen de hoeveelheid vee die aanwezig was voor de overstroming, dan blijken er 15.169 van de 53.945 dieren te zijn omgekomen. Dat is 28%.

Regeling schadevergoeding

Na de ramp werden er commissies samengesteld die begonnen met het regelen van subsidies voor geleden schade. De algehele leiding van dit project was in handen van 'De Hoofdcommissie tot onderstand der noodlijdende door den watervloed te 's Gravenhage'. Hieronder vielen de provinciale commissies en daaronder weer de gemeentelijke subcommissies. Elke subcommissie had tot taak de schade van het desbetreffende gebied te registreren en de geschatte geldwaarde ervan op te geven. De gemeentelijke subcommissie voor Schoutambt en Stad Vollenhove werd gevormd door J.P. Sloet, G.J. Jacobsen en D. ten Napel. Zoals in het overzicht valt te lezen, gaven ze aan schadepost op voor het verloren vee het bedrag van f. 17.503,- en voor huizen, meubelen enzovoorts f. 60.544,-. In Zwollerkerspel, Kampen en Staphorst, Rouveen, waar aanzienlijk meer vee was verdronken, was de schadepost voor verloren vee uiteraard veel groter, respectievelijk f. 162.544,- (20% van de totale schadepost aan vee), f. 147 .944,- (18%) en f. 130.985,- (16%). Wat betreft de hoogste opgegeven geschatte geldwaarde van verloren huizen, huismeubelen enzovoorts, werd voor Kampen f. 157.722,- (11%) opgegeven, voor Zwollerkerspel f. 155.726,- (101,2%) en voor Steenwijkerwold f. 124.309,- (81,2%).

Er rezen nog wel eens geschillen tussen de hoofdcommissie en de subcommissies. Zo vond de hoofdcommissie dat de subcommissie van Stad en Schoutambt Vollenhove een ongemeen hoge schadepost aan verloren gebouwen had opgegeven. Ook het opgegeven verlies aan veldgewassen vond men rijkelijk hoog. De hoofdcommissie was dan ook van mening dat er bij sommige posten weinig verhouding bestond tussen het geleden verlies en gevraagde vergoeding. De hoofdcommissie zat ook wel in een moeilijk parket. De overheid keerde niets uit. Voor de opgegeven schade kon men alleen belastingaftrek krijgen. Het geld dat de hoofdcommissie tot haar beschikking had, was voortgekomen uit de collectes die in het gehele land waren gehouden. Deze hadden f. 90.127,14 opgebracht en dit bedrag stond uiteraard in geen verhouding tot de totale opgegeven schadepost van f. 2.238.686,-. Ook de provinciale commissie vond dat. Maar meer geld kreeg de commissie niet. In totaal kregen Schoutambt en Stad Vollenhove tenslotte samen f. 3.119,20 van de collecte-opbrengst uitgekeerd, dus maar 4% van het bedrag dat men voor de geleden schade had opgegeven (f. 77.822,-).

Dit bedrag werd als volgt verdeeld:

Voor het herstel van de dijken voelde de regering zich wel mede verantwoordelijk. Daarvoor stelden ze dus een som geld beschikbaar. Hoewel, zoals eerder is meegedeeld, het gebied rondom Zwollerkerspel met meer dijkdoorbraken had te kampen dan Vollenhove en omgeving, kwam dat niet tot uitdrukking in de vergoeding die aan de betreffende gemeentes werd verstrekt. Want van het totale bedrag dat de overheid had uitgetrokken voor het herstel van de dijken (f. 1.599.804,-) ontving Zwollerkerspel f. 38.170,- (21,2%) en Vollenhove f. 965.083,- (60%). Een verklaring voor dit enorme verschil is te vinden, als men de dijken rondom Vollenhove vergelijkt met die in Zwollerkerspel. Een nieuwe doorbraak in de zeedijken bij Vollenhove zou grotere gevolgen hebben dan wanneer de rivierdijken in Zwollerkerspel het zouden begeven. De regering vond de opgegeven herstelkosten van de zeedijken wel hoog, maar het herstel van zo'n wezenlijk belang, dat het gevraagde bedrag in zijn geheel werd verstrekt.

Hulp in natura

Behalve geld werden er ook goederen, zoals kleding en voedsel, naar de getroffen gebieden gestuurd. Als voedsel kreeg Vollenhove, anders dan andere gemeenten, geen aardappelen en rogge, maar wel bijvoorbeeld een stuk ham, drie stukken spek, een halve mudde bonen en een halve mudde erwten. Aan kleding ontving de gemeente twee hoofdkussens, zeventien mannenhemden, elf boven- en tien onderbroeken en 360 ellen verschillende stoffen.

Besluit

De ramp had veel schade veroorzaakt en was mede te wijten aan verwaarloosd dijkonderhoud. De schade werd slechts voor een deel vergoed, omdat er niet genoeg middelen ter beschikking waren. Bovendien wilde de hoofdcommissie elke gemeente procentueel evenveel geven, hoewel niet iedere gemeente even zwaar getroffen was. Vele jaren zijn voorbijgegaan, maar de kolken aan weerszijden van de kronkelende dijk tussen Zwartsluis en Kuinre herinneren ons nog steeds aan de rampzalige overstromingen, waarvan die van 1825 de ergste was, die Noord-West Overijssel in het verleden hebben getroffen.

*CHC Land van Vollenhove: Kondschap, september 1996.

Reacties