Verhaal

Een voetbalrel in Blokzijl

Auteur: 
T.R. Stegeman

Het was 1930. Blokzijl had sinds enige tijd een voetbalclub, de Blokzijlse Voetbalclub, afgekort BVC. De leden hadden al vele keren onderling geoefend. Ze hadden zelfs al een paar maal een vriendschappelijke ontmoeting gehad met een club uit de buurt en daarbij hadden de Blokzielegers het er goed van afgebracht. Tijd dus om zich aan te sluiten bij de Noord Centrale Voetbalbond en zich in competitieverband met clubs uit plaatsen in hun kring te gaan meten, zo vond het bestuur.

Op zondag geen publieke vermakelijkheden in Blokzijl

BVC had wel een probleem. Een voetbalwedstrijd met toeschouwers langs de lijn viel volgens burgemeester Bulten onder de publieke vermakelijkheden, en deze waren in Blokzijl op zondag niet toegestaan. Het bestuur dacht dat het wel zou meevallen. Tegen onderlinge partijtjes en vriendschappelijke wedstrijden op zondag had Bulten immers ook nooit bezwaar gemaakt. Op vrijdag oktober 1930 ging voorzitter Wessel Bakker naar het gemeentehuis om de burgemeester vergunning te vragen voor een thuiswedstrijd op zondag de 19de tegen SSC uit Steenwijk. De burgemeester zei hem dat hij geen toestemming kon geven voor een ontmoeting, die voor een ieder toegankelijk was.

Het bestuur besloot daarop uitsluitend leden en donateurs toe te laten en dezen vrije toegang te geven. Met een paar bordjes Verboden Toegang bij de ingang zou het besloten karakter voor iedereen voldoende duidelijk worden gemaakt. Zo zou het spel immers niet onder een publieke vermakelijkheid vallen.

En dus betraden de beide elftallen, de scheidsrechter en de grensrechters op zondagmiddag om twee uur het veld. De bal werd op de middenstip gelegd, de scheidsrechter gaf het aanvangssein en de wedstrijd begon. Er waren vrij veel toeschouwers. Onder hen bevonden zich ook gemeenteveldwachter Jan Hoedenmaker en drie rijksveldwachters.

De wedstrijd was nog maar goed en wel begonnen of de vier gezagsdragers holden het veld op. Zij moesten in opdracht van de burgemeester de bal in beslag nemen. De voetballers gingen echter door met hun spel. Althans, ze trachtten te voorkomen dat de politie hun de bal afhandig maakte.

Het moet een mooi schouwspel zijn geweest. Veldwachters, niet zo jong meer, in een stijf uniform, hollend achter de bal aan, jeugdige voetballers in fleurige shirts, die ze te vlug af waren en publiek dat zich hierover kostelijk vermaakte. Met name Hoedenmaker werd daar boos over. Vooral toen de zeventienjarige Wiecher Zootjes, een van de spelers van BVC, de bal vlak voor zijn neus wegtrapte, en het van de zijlijn klonk: "Doorspelen!" Met opgeheven sabel zou hij Zootjes te lijf, maar de jongen was hem te vlug af. Daarop kwam er een klein aantal toeschouwers het veld op om te beletten dat Hoedenmaker ongelukken beging. De man raakte door de toeloop blijkbaar zo in paniek dat hij: "Als een dolle stier in de arena tekeer ging", zou iemand uit het publiek later verklaren. Hij sloeg in op een ieder, die hij tegenkwam. Dat ondervonden Harm Klinkert, Berend Oosten en Pieter Koopmans. Harm werd in het gezicht geraakt, Berend kreeg onder de toevoeging van: "lk sla je dood!" een zo hevige houw op zijn onderarm, dat hij zich in het ziekenhuis De Weezenlanden in Zwolle moest laten behandelen. Pieter zag het gevaar aankomen, hij wist Hoedenmaker stevig bij zijn pols grijpen. Er ontstond daardoor een worsteling, die in het voordeel van Pieter uitviel. De overwonnene moet zich diep rampzalig hebben gevoeld, ruggelings op het gras liggend, in bedwang gehouden door de ongewapende Koopmans en een groepje lachende mensen om hen heen. Pas nadat de toegesnelde rijksveldwachter Van der Duim aan Koopmans gebood los te laten, kon Hoedenmaker overeind komen en zijn uniform recht trekken. Zijn collega's rijksveldwachters hadden hem nog zo gewaarschuwd: "Kerel, dat je zo stom bent je sabel te trekken. Waar zit je verstand?"

Hoedenmaker bleek er bij zijn acties en zijn schermutseling met Koopmans overigens zelf ook niet ongeschonden van afgekomen te zijn. Hij bloedde nogal. Of dat kwam van de stomp, die hij zou hebben gekregen van Wiecher Zootjes, zoals hij later zei, of van de steek met een scherp voorwerp van de vishandelaar Siemen Mooiweer, hij wist het niet. In elk geval liet hij zich in de loop van de middag door huisarts Hettema verbinden. Van spelen kwam die middag uiteraard niet meer.

Toen Hoedenmaker na het bezoek aan de dokter weer op straat verscheen, klonk er een tergend hoongelach op uit groepjes samengeschoolde mannen en vrouwen. "Lafaards!" riep hij zijn plagers toe, "ik zal jullie doodslaan." Burgemeester Bulten was bij hem. Ook deze kon zich kennelijk niet inhouden. De edelachtbare viel althans uit: "lk zal jullie allemaal Blokzijl uitdonderen!"

In de dagen daarop werden er verschillende arrestaties verricht. Wiecher Zootjes, die Hoedenmaker een "pijnlijke" stomp zou hebben gegeven, was de eerste die werd opgepakt. Het werd een lange rij van spelers van BVC, van toeschouwers en buurtbewoners en ook anderen, die aan een verhoor onder leiding van majoor Jan Bolt van de rijkspolitie uit Steenwijk werd onderworpen.

Ondertussen wist een ieder in Nederland, die een krant las of naar de radionieuwsdienst luisterde, van de rel op het Blokzijlse voetbalveld. De belangrijkste dagbladen hadden er uitvoerig verslag van gedaan.

Een kamerlid stelde de minister van binnenlandse zaken en die van justitie vragen over de "voetbalveldslag" in Blokzijl. Enige tijd later werden ze door de minister van justitie beantwoord. Spelers en toeschouwers zouden de veldwachters belet hebben de voetbal in beslag te nemen en een van dezen, Hoedenmaker, ernstig hebben mishandeld. Er was inmiddels een strafrechtelijk onderzoek naar deze zaak gaande.

De bevolking ziet uit naar elke raadsvergadering

Het stond de oppositie in de Blokzijlse Raad heel slecht aan, dat de gemeente en haar bestuur in die dagen zo negatief in het nieuws kwamen. Die oppositie bestond uit mevrouw Hettema, de vrouw van de huisarts, en de heren Wessel Bakker en Jacob Schuil. Ze waren alle drie lid van de Vrijzinnige Democratische partij, afgekort VD. Er was teveel mis gegaan op die bewuste zondagmiddag. Daar moest in de Raad uitvoerig over gepraat worden en wel zo snel mogelijk, vonden zij.

De publieke tribune zat vol op die dag en er was een sterke politiemacht aanwezig. Na de opening las de voorzitter een brief voor van Gedeputeerde Staten, waarin werd meegedeeld dat hij was herbenoemd tot burgemeester, hetgeen het raadslid mevrouw Hettema de opmerking ontlokte: "Dat is jammer voor Blokzijl", prompt gevolgd door instemmende geluiden uit de raadszaal. Daarmee was meteen de toon gezet voor deze vergadering.

Aan de orde kwamen onder meer een adres van de voetbalvereniging, waarin werd geprotesteerd tegen de weigering van de vergunning van de wedstrijd op zondag 19 oktober jl. en een motie van het raadslid Bakker, gesteund door mevrouw Hettema en Schuil, tegen het optreden van veldwachter Hoedenmaker, in te dienen bij de commissaris van de koningin en de minister van binnenlandse zaken. De voorzitter wilde het laten bij een inmiddels door de officier van justitie in Zwolle begonnen onderzoek. Tot een afrondend gesprek over één en ander kwam het evenwel niet. De burgemeester, door enkele opmerkingen uit de Raad namelijk in verlegenheid gebracht, sloot de vergadering abrupt met de opmerking: "Verwijdert U", gevolgd door een wenk aan de politiemannen. "Ordelijk verlieten de aanwezigen de raadszaal, uitgeleide gedaan door een eerewacht van rijksveldwachters", aldus één van de verslaggevers.

De oppositie, ontstemd over de bekorting in haar rechten, liet het er niet bij zitten. Zij vroeg een spoedeisende raadsvergadering aan. Dat vernam uiteraard ook de pers. Regelmatig kwamen er op de dagen ervoor journalisten hun oor te luisteren leggen in Blokzijl. Op zaterdag 21 november, de dag waarop de genoemde vergadering zou plaatsvinden, waren ze er met velen. "Ging het er bij den veldslag op 19 October Spaansch toe, deze vergadering was ook een allesbehalve vriendschappelijke ontmoeting", schreef de Sluziger in een artikel onder de kop: "Blokzijl zonder einde." De oppositie had zich goed voorbereid. Zo had ze niet alleen de recente gebeurtenissen nog eens weer op een rij gezet, ze was ook in het persoonlijke verleden van de burgemeester gedoken. En daarin werd genoeg gevonden om hem op deze vergadering indien nodig mee te belagen. Toen het de oppositieleden duidelijk werd, dat de burgemeester de besprekingen wilde gaan afraffelen en de vergadering niet voldoende gelegenheid zou geven over de agendapunten te praten, die zij, de aanvragers van deze vergadering, hadden ingediend, moest hem maar eens een onverkwikkelijke zaak onder de neus worden gewreven, zullen zij gedacht hebben. Bakker vroeg de vergadering althans even aandacht voor een in zijn bezit zijnd stuk, dat als volgt begon: "Zondagavond 25 september 1921 was de gemeente Blokzijl in rep en roer, omdat burgemeester Bulten op de electrische centrale (Blokzijl had in de eerste jaren van de elektrificatie een eigen centrale) aan het vechten was met den leerling-machinist Van der Woude. Deze had op verschillende tijden en plaatsen verteld, onder andere in de smederij van Joh. Smit op het Verlaat, dat Zijne Edelachtbare zich schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van ..". De voorzitter viel Bakker hevig hamerend in de rede: "lk vind het een schandaal om hier zoo iets ter sprake te brengen." "Zoo'n vieze vent"! riep mevrouw Hettema. "U moest zich schamen. De voorzitter bracht daarop een al eerder ingebrachte motie van de beide rechtse partijen in stemming. Vier leden waren voor, zoals te verwachten viel, en drie tegen. Meteen daarop sloot de burgemeester de vergadering.

Publiek, pers en raadsleden, ook al sputterden ze tegen, moesten op last van de politie het gemeentehuis direct daarna verlaten, hetgeen de verslaggever van de Sluziger deed verzuchten: "In Blokzijl schijnt niet de Raad, maar de Burgemeester het hoofd der gemeente te zijn. Thorbecke, de vader van de Gemeentewet, zou zich omdraaien in het graf, als hij het hoorde. 

*Kondschap, maart 2003

Reacties