Verhaal

De Vollenhoofsche Diligencedienst

Auteur: 
Jacob H.S.M. Veen

Hoewel diligences, ook wel postwagens genoemd, al in Nederland in de 16e eeuw voorkomen, deden zij in de Kop van Overijssel pas laat hun intrede. Zij vervoerden, naast personen, ook vaak de post. De reden van hun late intrede moet gezocht worden in de aanwezigheid van, voor die tijd, behoorlijke routes te water en het ontbreken van goede wegen. Als deze laatste er al waren was hun kwaliteit slecht en nauwelijks geschikt voor de vrij zware diligences. Het geringe postverkeer ging dan ook meestal te paard. Voor Vollenhove was dit wel een probleem. De route naar de provinciale hoofdstad over water was langer dan de landroute.

Openbaar vervoer per diligence

De gegevens over de eerste diligences in het gebied zijn zeer schaars. In 1839 startte Albert Harsevoort te Ambt Vollenhove een dienst Blokzijl - Zwolle, die eenmaal per week gereden werd. Later werd deze overgenomen door W. Drost te Hasselt. Deze moet kort na 1859 opgeheven zijn.

De Zwolsche courant vermeldt op 15 oktober 1862 dat ene G. Breijenk concessie kreeg voor een dienst tussen Zwartsluis en Blokzijl in aansluiting op de in 1842 geopende raderbootdienst Zwolle - Zwartsluis - Amsterdam. Mogelijk is deze van Zwartsluis doorgetrokken naar Zwolle als de bootdiensten (er voeren ook lokale stoombootjes) wegens ijsgang gestaakt waren. In 1869 is sprake van een dienst van Zwolle naar Kuinre.

Of door Breijenk ook post vervoerd werd is de vraag. In sommige bronnen wordt ook gesproken over een postkar Zwolle - Vollenhove - Lemmer, waarmee geen personen vervoerd mochten worden. En mogelijk heeft Breijink het ook niet lang volgehouden. Zijn dienst is in elk geval rond 1870 opgeheven en Vollenhove zat weer zonder behoorlijk openbaar vervoer. Daarom namen enkele vooraanstaande inwoners zelf het initiatief. Dit waren G. baron Sloet van Marxveld, mr. M.G. Bentfort van Valkenburg en T. van der Veen. Zij vroegen vergunning voor een wagendienst Vollenhove - Zwartsluis, met bij ijsgang doortrekking naar Zwolle. Deze werd op 24 mei 1872 door de minister van Binnenlandsche Zaken verleend. Als zekerstelling moesten de drie heren een borgtocht betalen van 200 gulden ten genoege van het gemeentebestuur van stad Vollenhove. De dienstregeling van de wagendienst moest worden vastgesteld in overleg met Gedeputeerde staten van de provincie Overijssel. DL onderneming kreeg de naam "Vollenhoofsche Diligencedienst". Baron Sloet van Marxveld trad op als directeur.

Vertrektijden en tarieven

Naar aanleiding van een ingezonden voorstel van de onderneming bepaalden G.S. op 2 juli van datzelfde jaar dat in de maanden april t/m oktober dagelijks een rit gereden wordt van Vollenhove naar Zwartsluis en terug: Vollenhove vertrek om kwart voor zes 's morgens (vrijdags vertrek half zes, op zondag acht uur). Vanuit Zwartsluis vertrek een half uur na aankomst van de laatste stoomboot aldaar, maar uiterlijk om half zes 's middags. In de overige (winter-)maanden werd alleen op maandag en vrijdag gereden en werden de vertrektijden iets aangepast.

Wanneer de stoomboten wegens mogelijke ijsgang niet voeren werd de dienst uitgebreid tot Zwolle via Hasselt en ook alleen op maandag en vrijdag gereden. Van Vollenhove werd dan vertrokken om half zes 's morgens, van Zwolle om drie uur 's middags. Als tarief werd vastgesteld 25 cent per uur rijden, zodat een ritje van Vollenhove naar Zwartsluis een reiziger 37 ½ cent kostte en naar Zwolle één gulden 12 ½  cent.

In de ministeriële vergunning was bepaald dat met een wagen voor zes personen gereden mocht worden, maar al op 30 juli 1872 werd dit gewijzigd in een wagen voor negen personen. Vanzelfsprekend traden er in de volgende jaren wijzigingen op, zowel in de dienstregeling en de tarieven als bij de bedrijfsleiding. Zo verviel de zondagse dienst per 30 augustus 1874 en werd in 1876 de frequentie in de wintermaanden uitgebreid tot drie maal per week. Tevens bleek in 1880 dat Th. van der Veen de bedrijfsleiding op zich genomen had, terwijl toen als derde man in het bestuur de Vollenhoofse gemeenteontvanger C.F. Seidel genoemd werd. Overigens reed de diligence niet altijd zonder problemen. Zo raakte op 2 december 1881 de ochtendwagen van Vollenhove naar Zwartsluis ten gevolge van mist van de dijk, waardoor van de zeven passagiers er twee gewond werden.

De nadagen van de diligence

Het bestuur van de onderneming wisselde nog wel eens. In 1883 wordt A.J. ten Cate als directeur genoemd, terwijl A. baron Sloet van Oldruitenborgh en L. van Gulick de commissarissen zijn. Mogelijk heeft G. baron Sloet van Marxveld zich in die tijd teruggetrokken om belangenverstrengeling met de in die tijd mede door hem geïnitieerde stoomtramlijn Zwolle - Zwarlsluis - Vollenhove - Blokzijl - Lemmer - Stavoren te vermijden. Uiteindelijk kwam hier de "Spoorweg-Maatschappij Zwolle - Blokzijl" uit voort. Enige tijd later werd de frequentie tussen Vollenhove en Zwartsluis uitgebreid. De zomerdienst van 1890 vermeldt dan 's zomers twee retourritten op werkdagen en 's winters één. Wanneer tot Zwolle werd doorgereden was dit alleen op maandag, woensdag en vrijdag. Dit bleef, zij het met enige wijzigingen in de vertrektijden, gehandhaafd tot de ingebruikneming van het trambaanvak Zwartsluis - Blokzijl op 26 maart 1914. De Vollenhoofsche Diligencedienst staakte toen haar ritten, die door de komst van de stoomtram overbodig werden en werd geliquideerd.

*Het artikel is van Jacob H.S.M. Veen en komt uit Kondschap, maart 2009.

Reacties