Verhaal

De lotgenoten in het armhuis van Vollenhove

In dit verhaal over de negentiende eeuw gaat het over sterfte onder vrouwen, het zware werk van turfmakers, armoede en mensen die moesten worden opgevangen. Maar er komt ook iets positiefs in voor: aan je lot ontsnappen.

Het volgende dient om een kader aan te geven. Er was destijds geen medische controle tijdens de zwangerschap. Zwangerschap en bevalling vormden grote risico's. Een ernstige complicatie was het optreden van zwangerschapsstuipen die de dood tot gevolg konden hebben. En wat de mannen betreft, in het veen vonden velen tot ver in de negentiende eeuw emplooi in de turfontginning. Het was zwaar werk. 's Zondagsavonds liepen ze naar het land en 's zaterdagsavonds keerden ze pas naar huis terug. De turfmakers werkten van zonsopgang tot zonsondergang en sliepen in een tent. Het belang van turf werd na 1880 minder, omdat men steeds meer steenkool invoerde. Een plaats als Zwartsluis, die sterk met turfvaart en turfoverslag was verbonden, ging economisch achteruit. In het dorp Wanneperveen nam het aantal inwoners sterk af.

 

 

Levensloop van Roelof Huisman

Roelof Huisman, zoon van Willem Huisman en Aaltje Lassche, werd in 1816 in Wanneperveen geboren. De Franse tijd (1795-1814) was net afgelopen. Vanaf 1810 had ons land tot Frankrijk behoord en lag Wanneperveen in het kanton Vollenhove van het departement van de Monden van de IJssel. Vanaf 1814 viel het dorp weer onder Overijssel dat deel uitmaakte van het Verenigd Koninkrijk. Dit omvatte de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden.

Een jongere broer Harmen werd in 1820 geboren. Roelof trouwde in 1839, toen hij 23 jaar was en turfmaker van beroep, met Roelofje Jansje Hollander. Zijn ouders waren beiden overleden. Roelofje Jansje was nog net in de Franse tijd geboren zoals haar geboorteacte laat zien. Haar vader had de kost verdiend als turfboer. Hij was overleden, maar haar moeder kon de huwelijkssluiting meemaken.

Het paar betrok een woning in de Middelbuurt in Wanneperveen. Zij kregen hun zoon Jan in 1844 en hun zoon Willem in 1845. Roelofje Jansje Hollander stierf in 1849 in het kraambed, een dag later gevolgd door de pas geboren zoon Roelof. Hierna trouwde Roelof omstreeks 1850 met zijn tweede vrouw Geesje ten Napel.

Het paar woonde in Zwartsluis. Roelof was nog steeds turfmaker. Er werden drie kinderen geboren: dochter Hendrikje in 1851, zoon Harm in 1854 en dochter Barta in 1858. Roelof Huisman verloor ook zijn tweede vrouw. Geesje ten Napel stierf op 6 september 1860.

Roelof trouwde voor de derde keer in 1861 met Katharina Hollander. Roelofs beroep werd nu omschreven als arbeider. Het paar woonde in het Buitenkwartier in Zwartsluis. Ook deze vrouw moest Roelof verliezen. Katharina stierf op 13 december 1886. Hij was toen 70 jaar oud. Het jaar daarop werd Roelof in het Armhuis in de Kerkstraat in Vollenhove geplaatst waar hij in 1891, 75 jaar oud, overleed.

 

 

Regels voor de bewoners van het Armhuis

De Hervormde Gemeente van Vollenhove bestuurde het Armhuis dat bestemd was voor de opvang van onvermogenden. Het was in 1681 gesticht en bestond toen Roelof werd opgenomen dus al meer dan 200 jaar. Het toezicht op de er aan verbonden boerderij en de huishouding was opgedragen aan een vader en moeder. Oude zowel als jonge bewoners moesten hen gehoorzamen. leder die kon werken moest dat dan ook doen; of op de boerderij, of door breien en spinnen, of door het ambacht voort te zetten dat men had geleerd of bezig was te leren. Maar voor catechisatie moest, tenzij er werk was dat absoluut niet kon wachten, tijd worden ingeruimd vanwege het belang van de zedelijke en godsdienstige opvoeding. Bewoners die daartoe in staat waren, dienden 's zondags twee keer naar de kerk te gaan. De vader of de moeder moest tijdens de dienst toezicht op hen houden. Zij zagen er ook op toe dat er dagelijks uit de bijbel werd gelezen.

Vader en moeder droegen de verantwoordelijkheid voor de voorraad levensmiddelen, de maaltijden, het linnen, het beddengoed en de kleding. Als er iets ontbrak, dienden ze diakenen te waarschuwen zodat die het konden bestellen. Zij moesten, behalve als ze ziek waren, de maaltijd samen met de bewoners gebruiken en er vooral op letten dat de oude mensen hun deel kregen. Deze bepaling zou erop kunnen wijzen dat er anders van hun maaltijd zou worden gestolen. Zij mochten de bewoners geen verlof geven om na sluitingstijd thuis te komen, dat konden alleen de diakenen doen. Die gaven ook verlof om één of meer nachten weg te blijven. Bewoners mochten geen andere kleding dragen dan die was voorgeschreven.

Behalve over een Armhuis voor de onvermogenden, dat nu in de Kerkstraat huisnummer 61 heeft, beschikte de Hervormde Gemeente over een weeshuis. Kinderen uit de burgerij gingen in gelijke omstandigheden naar het weeshuis. Dat was in 1887 eveneens gevestigd in de Kerkstraat. Het huis heeft nu huisnummer 57.

 

 

Tegelijk met Roelof Huisman opgenomen medebewoners

Toen Roelof op 20 oktober 1887 werd geplaatst, moest hij eerst een belofte doen. Deze hield in dat hij, als hij zijn broer Harmen Huisman overleefde, verplicht was voor iedere week dat hij in het Armhuis verpleegd was een gulden losgeld te geven. Hiervan werd een contract opgemaakt en door Roelof en de diakenen ondertekend. Harmen was getrouwd met Hendrika ten Napel. Zij hadden geen kinderen en bezaten vastgoed. Klaarblijkelijk had Roelof bij het overlijden van zijn kinderloze broer recht op een erfenis, maar hij overleefde zijn broer niet. Harmen overleed in 1894 en Hendrika ten Napel in 1903.

Roelof trof in het Armhuis een aantal medebewoners aan van wie sommigen kort voor hem waren geplaatst. Zo waren op 27 januari 1886 de twee jonge kinderen Henderikje en Jan Rook geplaatst. Hun moeder Jentje Everthuis was daarvoor in grote armoede overleden. In mei 1886 was Piet Room na het doen van een belofte opgenomen. Hij bracht 150 gulden mee en moest per week 2 gulden losgeld geven tot de 150 gulden was verteerd. Verder kreeg hij de kost voor niets. Lang is hij er niet geweest, want hij overleed in oktober 1886. Na Roelofs plaatsing werden op 14 december 1887 de zeventigjarige Arend Jongman en zijn twee jaar jongere vrouw Kaatje Apeldoorn opgenomen en op dezelfde dag Berend Schuurman, die 57 jaar oud was. Kinderen, mensen van middelbare leeftijd en bejaarden woonden bij elkaar in één huis. Onder zijn medebewoners trof Roelof ook twee familieleden. Zijn verblijf viel samen met dat van twee van zijn kleinkinderen. Dit waren Harm en Christoffer, zonen van zijn in 1845 geboren zoon Willem. Harm was 11 en Christoffer 10 jaar. Hun moeder Trijntje Oldenhof overleed in het jaar 1880. Beide kinderen werden in mei 1886 in het Armhuis geplaatst volgens familieverhalen omdat hun vader een drankprobleem had en uit de ouderlijke macht was gezet. Zij woonden er dus toen Roelof arriveerde al ruim een jaar.

Trijntje Oldenhof, op Schokland geboren en op 34-jarige leeftijd in Vollenhove overleden, had een kruidenierswinkeltje in de Visschersstraat. Hiermee vulde zij het inkomen van haar man aan, die tuinman was op de buitenplaats Tweenijenhuizen. Als winkelierster had zij nog zaken gedaan met diakenen ten behoeve van het Armhuis. Op naam van haar man werden door diakenen in de jaren 1877 t/m 1880 bedragen van 17 tot 26 gulden betaald. De klanten die als vissersknechten door het leven gingen, hadden in de wintermaanden geen inkomsten en beleenden voorwerpen. De familie bezat uit die bron nog een in zilver gevat eau-de-cologneflesje.

 

 

Het verblijf van de kleinzoons Harm en Christoffer in het Armhuis en hoe het hun daarna verging Christoffer heeft zijn kinderen verteld dat hij en Harm een slechte tijd hebben gehad in het Armhuis. Zij hebben er veel honger gehad. Er zat van alles, zei hij, ook gestoorden. Bewoners sloten er wel eens eentje op in een kooi en gingen tegen hem aan plassen. Dit is wel een indicatie die op vernederende toestanden wezen in het Armhuis. In de wintermaanden moest men om 8 uur binnen zijn en de overige maanden om 9 uur, maar de jongens ontsnapten wel eens een avondje door uit het raam te klimmen wanneer dat open stond voor ventilatie vanwege een opgebaard lijk. Christoffer had als taak de koeien te verzorgen. Harm en Christoffer woonden tot 1897 in het Armhuis. Zij verlieten dit toen ze respectievelijk 21 en 20 jaar oud waren.

Deze jongens hadden het grote geluk dat de kinderloze Harmen Huisman, de broer van hun grootvader Roelof, optrad als hun voogd en zich hun lot aantrok. Zij bleven met hem in contact door voor hem op diens boerderij te werken. Op latere leeftijd werkten ze ook als melkknecht in Duitsland. Er braken betere tijden voor hen aan toen hun voogd aan Harm een paar huizen en aan Christoffer een in de Bentstraat gelegen boerderij naliet. Op het eind van zijn leven heeft Christoffer enkele maanden beurtelings bij al zijn kinderen gewoond. Gezien zijn ervaringen in het Armhuis wilde hij beslist niet naar een bejaardenhuis. En hij vermeed zoveel mogelijk erover te spreken. Gelukkig vertelde hij wel iets waardoor wij wat weten over zijn leven in het Armhuis.

 

Dit artikel is geschreven door J. Spitse (gepensioneerd psychotherapeut) uit Abcoude

Reacties