Verhaal

De jarenlange staking bij de “Zaogemeule” van Loos in Blokzijl

1924 - 1927: De jarenlange staking bij de “Zaogemeule” van Loos in Blokzijl

Blokzijl en Loos

"Het hart van Blokzijl werd in mijn jeugd, net als tegenwoordig, gevormd door de Kolk. Beperkt de bedrijvigheid zich daar thans tot de zomermaanden, in mijn kinderjaren was de Kolk het hele jaar door vol leven", zo begon de in 1906 geboren Berend Oosten op 22 september 1988 zijn verhaal. "Er liepen schepen met boomstammen binnen voor de zagerij van Loos en er meerde een enkele vissersboot af. Schuiten met timmerhout voeren via de Sas en de Haven de Zuiderzee op. In de nawinter en het voorjaar lag er het schip van Zijlstra, dat mest ophaalde van stadsboeren, die geen eigen land hadden. De mest ging naar bollenkwekers op de geestgronden in Holland. In winters met vorst namen schaatsers de Kolk in bezit.

Berend noemde de naam Loos vele keren in zijn verhaal. De firma Loos, die een grote houtzagerij had aan de rand van Blokzijl; een 'zaogemeule', zoals iedere Blokzieliger zei. De officiële naam was B. Loos en Zoon Houthandel Stoom-Houtzagerij en Schaverij. Vroeger werden de zagen en de schaven er net als in dat soort bedrijven in de Zaanstreek aangedreven door een windmolen, maar Loos was al lang geleden overgegaan op stoom. Loos, van wie talloze boomstammen in rijen naast elkaar lagen in het water van de Kolk en het Zuiderdiep, en wanneer daar niet voldoende ruimte was van de Valse Trog. Loos, die wel tachtig man personeel in dienst had en in drukke tijden nog meer. Personeel dat voornamelijk uit Blokzijl kwam. Loos was van grote betekenis voor de gemeente Blokzijl, die haar inwonertal door gebrek aan werkgelegenheid de laatste jaren zo sterk had zien dalen.

De 'zaogemeule' werd in Berends kinderjaren geleid door twee neven, beiden met de naam Barend Loos. De mannen waren goed van elkaar te onderscheiden; er was namelijk een lange, slanke Barend en een kleinere, gezette. Voor hun personeel waren ze 'de grote' en 'de dikke'. Zo verschillend als ze waren in lichaamsbouw, zo gelijk waren ze in hun houding tegenover hun medewerkers: weinig toegankelijk en star. Vroeg iemand de dikke mijnheer Barend om loonsverhoging - deze ging over de salarissen -, dan kreeg hij steevast als antwoord: "Opslag? Neerslag, donderslag!"

De in 1998 overleden Berend Oosten had veel herinneríngen aan het bedrijf Loos. Zijn vader Steven werkte er en als schooljongen zwierf hij vaak over het fabrieksterrein met zijn grote stapels planken en balken. Berend zou er niet gaan werken, hij werd mattenmaker.

 

 

Er wordt gestaakt bij Loos

Op 22 december 1924 gebeurde er iets in Blokzijl dat de stad hevig in beroering zou brengen. Bij Loos legde een groot deel van het personeel op die dag het werk neer. Een zevental personeelsleden was lid geworden van een vakbond en dat pikten de directeuren Loos niet. Ze wensten geen vakbondsleden binnen hun poorten. Het waren overigens niet meer de neven Barend en Barend Loos, die de leiding hadden, maar Jan (1890) en Wesselius Marcus, roepnaam Wessel (1893), zoons van een van de Barenden. Nadat het zevental georganiseerde werklieden de laan was uitgestuurd, waren ook veel van hun collega's vertrokken. Het werk lag daardoor vrijwel stil.

 

Botsingen tussen werkwilligen en stakers

Wilde de directie de productie weer enigszins op peil brengen, dan moest ze zo snel mogelijk nieuw personeel aantrekken. Dat vond ze in de gemeente Ambt Vollenhove, waar elk jaar in de wintermaanden een fors arbeidsoverschot was. De werkloze mannen uit die gemeente hadden weliswaar geen enkele ervaring in de bewerking van hout, maar die zouden ze na verloop van tijd wel krijgen, zo dachten de broers Loos.

Op maandag 5 januari 1925 kwamen er een kleine dertig opzetten. De eerste groep sloop naar de werkloods. De tweede groep werd door stakers tegengehouden en van de fiets getrokken. Er vielen rake klappen. Een deel van de 'onderkruipers' zag kans het fabrieksterrein op te glippen, de anderen vluchtten naar huis.

De volgende morgen hadden de stakers meer succes. Ze hadden zich op en nabij de zeedijk opgesteld. Van een afstandje keken tientallen mannen, vrouwen en opgroeiende jongens uit Blokzijl en omgeving toe. Ze zagen en hoorden hoe de stakers met de 'Laand Venose' werkwilligen discussieerden en hoe de laatsten na enige tijd allen hun fiets keerden en terugreden.

Onder de samengeschoolde toeschouwers bevond zich ook burgemeester Hendrik Jan Bulten. De stemming was ondanks het vroege ochtenduur nogal opgewonden. Terwijl ieders blik op de bekvechtende stakers en werkwilligen was gericht, wierp een van de toeschouwers de burgemeester peper in het gezicht. Wie ermee had gegooid, wist naderhand niemand, althans niemand zei er iets van te weten. Ook de burgemeester niet. Hij maakte zich met pijnlijk brandende ogen uit de menigte los en ging naar de dokter.

Het incident was ernstig genoeg om er aangifte van te doen. Toch deed Bulten dat niet. De staking hield hem te zeer bezig. Deze was bijzonder nadelig voor de betrokkenen en voor de gemeente. Er zou daarom zo gauw mogelijk een eind aan moeten komen. Mede op Bultens advies had de overheid Van IJsselstein als bemiddelaar aangesteld. Van IJsselstein was niet de eerste de beste. In een vorig kabinet was hij minister geweest. De burgemeester hoopte dat Van IJsselstein het conflict tot een voor een ieder bevredigende oplossing zou brengen.

Op zaterdag 17 januari reisde de bemiddelaar naar Zwolle. Daar had hij achtereenvolgens een onderhoud met één van de directieleden van de firma Loos, met een lid van het hoofdbestuur van de Christelijke Bond van Houtbewerkers, die tevens gemachtigde was van de Algemene Bond, en met vertegenwoordigers van de stakers. Tot een opening kwam het echter niet. Het directielid weigerde elke concessie en de ontslagenen en de stakers bleven bij hun eis lid te mogen zijn van een vakbond. Vóór Van IJsselstein met de partijen om tafel ging zitten, had de moeder van de beide directeuren al geprobeerd de stakers weer aan het werk te krijgen. Tevergeefs echter.

Ondertussen hielden de stakers hun posten bij de fabriek constant bezet. Zo bleven ze goed op de hoogte van hetgeen er op het bedrijf gebeurde. Ze zagen hoe nieuw personeel uit Ambt Vollenhove met een open motorschuit van Loos vanaf de Ronduite werd gehaald en teruggebracht. Een wisselend aantal, vijftien man hooguit. Fietsen durfden de werkwilligen niet. De politie in Blokzijl was in verband met de spanningen weliswaar met twaalf rijksveldwachters, later vervangen door marechaussees, uitgebreid, maar voor een volledige bescherming konden ook dezen niet zorgen. Bovendien hadden ze kans een lekke band te krijgen, want op de zeedijk tussen het stoomgemaal en Blokzijl lagen wel eens kopspijkertjes. Een boottocht was overigens ook niet zonder gevaar. Vanaf de wal werden de passagiers op verschillende plaatsen belaagd met stokken en stenen. Daarom liet Loos ter afwisseling soms een tijdje een bus rijden.

De versterkte politiemacht in Blokzijl had de opdracht te voorkomen, dat werkwilligen en stakers met elkaar op de vuist gingen. Doorgaans lukte dat ook. Bij ontmoetingen buiten Blokzijl werd er echter nogal eens op los geslagen. Soms leidde dat tot een aangifte, gevolgd door een rechtszaak. Dat was onder andere het geval met Egbert Lassche uit Ambt Vollenhove. Egbert, machinist bij Loos, was op 26 maart 1925 bij de Beukerssluis in Wanneperveen door een staker begroet met: "Jij ook hier?" en een stomp. De politierechter veroordeelde de staker met de wat losse handen tot veertien dagen gevangenisstraf.

De broers Berend en Roelof Vis uit Blokzijl, beiden stakers, kwamen er minder goed vanaf. De officier van justitie van de rechtbank in Zwolle vond dat de kerels een lange tijd moesten brommen. Zij waren op zaterdagavond 6 juni 1925 in Vollenhove uitgeweest. Op weg naar huis werden ze gepasseerd door de werkwillige Hein Belt uit Ambt Vollenhove. Een stokslag op het hoofd en een pak ransel was Heins deel. Een half jaar in de bak, zo eiste de officier. De verdediger mr. Sijbrandy vond dat veel te lang voor zo'n onnozele mishandeling. "De rechtbank mag in dit sociale conflict geen partij kiezen", zo zei hij. "De arbeiders hebben het recht om te staken. Zij voeren in dit geval een rechtvaardigen strijd, ze willen alleen maar een erkenning van hun organisatie, iets waarmee ze twintig jaar tenachter staan bij andere streken. Daarom moet er geen verbittering gewekt worden in Blokzijl door een te zware veroordeling. Hein Belt is niet blijven werken bij de fírma Loos toen anderen gingen staken, nee, hij is er pas een paar dagen in dienst; hij is hèt voorbeeld van een onderkruiper."

Het was voor veel postende stakers moeilijk te verwerken dat het bedrijf van Loos doordraaide, ook al was dat op een lager pitje. Een van dezen was Sipke Sch. Hij zou, niet opgemerkt door de politie, op een middag in maart 1925 omstreeks 3 uur vanaf de Zeedijk stenen hebben geworpen naar een tweetal werkwilligen, die op het terrein van de houtzagerij bezig waren. Eén steen was raak geweest. De getroffene had het geval zelf niet ernstig genoeg gevonden om er aangifte van te doen. Wel had hij de werper herkend. Al had hij er niet voor gevoeld er een zaak van te maken, zijn baas Jan Loos had het wel gedaan. Sipke ontkende voor de rechtbank echter gegooid te hebben en vier medeposters, die als getuigen waren opgeroepen, steunden hem. De kantonrechter sprak Sipke vrij.

 

 

Jan Loos dreigt met zijn revolver

Een veel bedreigender geval deed zich voor op 8 juni van dat jaar in de Sas, de uitmonding van de Kolk. Daar waren Jan Loos en zijn personeelslid Harm Lassche 's morgens bezig balken tot vlotten bij elkaar te binden. De ochtend was rustig begonnen. Om 10 uur hadden ze de surveillerende politie voorbij zien komen. Een uur later werden de directeur en zijn medewerker echter vanaf de dijk door stakers met stenen bekogeld. Loos stapte daarop aan wal om te zien wie er gooide. Meteen werd hij door stakers en wel een paar honderd uitgelopen Blokzieligers omringd. Toen hij zich na een poosje omkeerde om weer naar Lassche te gaan, kreeg hij een schop en een paar klappen. Loos trok daarop zijn revolver en voegde de achter hem staande staker Antoon van der V,. dreigend toe: "lk schiet je dood!", zo verklaarde Antoon later op de rechtszitting in Zwolle. Antoon snapte overigens niet dat hij als beklaagde moest voorkomen. Hij had mijnheer Loos niet belet naar zijn werknemer bij de balken terug te gaan, zoals deze had verklaard. "lk heb een proces-verbaal laten opmaken tegen de directeur, omdat deze mij bedreigde met zijn revolver", zo liet hij de ambtenaar van het openbaar ministerie weten.

Waarschijnlijk was het de eerste keer dat Jan Loos zijn revolver in het openbaar te voorschijn haalde. Hij had dat wapen trouwens ook nog niet zo lang. Bang voor zijn hachje, en vermoedelijk niet geheel onterecht, had hij enige tijd na het uitbreken van de staking vergunning gevraagd voor het dragen van een vuurwapen. Op 28 april 1925 had hij deze gekregen.

Directeur Jan Loos werkte al sinds het uitbreken van de staking meer mee met zijn personeel dan daarvoor. Dat moest ook wel, hij had erg weinig geschoolde mensen en hij miste zijn ervaren chef De Jonge, zijn bedrijfsleider.

 

 

De politie lost een waarschuwingsschot

Op 25 juni 1925 schreef het Nieuws- en Advertentieblad voor Zwartsluis en omgeving, gewoonlijk de Sluziger genoemd, dat het bedrijf Loos gaande werd gehouden door een vijftigtal werkwilligen, merendeels afkomstig uit de gemeente Ambt Vollenhove. Om hen te beschermen tegen aanvallen van stakers waren er in Blokzijl nog steeds enige rijksveldwachters gedetacheerd. Dezen konden uiteraard niet elke ploeg komende of huiswaarts kerende mannen begeleiden. Daarom reed een van de broers Loos ook wel eens mee. Dat zou op woensdagmiddag 16 september eveneens gebeuren.

De stemming onder de postende stakers was broeierig en er was veel volk op de been. Het duurde maar even of de eerste klappen vielen. Het was maar goed dat er snel gewaarschuwde veldwachters tussenbeide kwamen. De zaak zag er zo dreigend uit dat één van hen het nodig vond een schot in de lucht te lossen. In de woning van een directeur was intussen een ruit aan diggelen gegaan.

De burgemeester kondigde diezelfde avond nog een verbod tot samenscholing af. Bovendien vroeg hij versterking aan van de politie.

Burgemeester Bulten zag hoe nadelig de staking was voor het bedrijf Loos, voor de stakers, de neringdoenden en de burgerij in zijn gemeente, had een paar weken daarvóór op eigen initiatief een bemiddelingspoging gedaan tussen de stakers en de directeuren. De stakers hadden wel oren gehad naar de voorstellen, waarmee Bulten was gekomen, maar de heren Loos hadden ze zonder meer afgewezen, zo wist iedereen.

De productie op de houtzagerij was fors teruggelopen en het aantal ongevallen was groot. Het nieuwe personeel was niet gewend machines te bedienen en boomstammen en stapels gezaagd hout te verplaatsen. Regelmatig moest er iemand met verwondingen of gebroken ledematen naar een huisarts of een ziekenhuis. Het waren vooral dat soort berichten, waarmee de zagerij in het najaar van 1925 in het nieuws kwam. De stakers hadden zich kennelijk neergelegd bij de onwrikbaarheid van de broers Loos.

Op 22 december 1925, precies een jaar nadat ze het werk hadden neergelegd, kwamen de stakers met hun vrouwen in het oude Nutsgebouw bijeen. Het werd een rustige samenkomst. Het was trouwens na de incidenten op 16 september in Blokzijl in het algemeen rustig gebleven. De burgemeester had daarom het samenscholingsverbod intussen opgeheven.

 

 

De gevolgen van de staking

Over de staking in het houtbedrijf van de firma Loos schreef de Sluziger nog slechts een enkele keer, onder meer op 23 december 1926. De verslaggever riep bij de lezers in herinnering, dat het net twee jaar geleden was dat veel werknemers het werk hadden neergelegd en hoe nadelig dat had uitgepakt voor de werkgevers, de stakers en de gemeente Blokzijl.

Eind april 1927 besloten de gezamenlijke stakers in overleg met vertegenwoordigers van de hoofdbesturen van de Nederlandsche Christelijke Houtbewerkersbond en de Nederlandsche Vereniging van Fabrieksarbeiders de staking te beëindigen. Niet om weer aan het werk te gaan, integendeel. De stakers zouden proberen elders werk te vinden. Zolang dat niet was gelukt, zouden ze een ondersteuning blijven houden van de bonden. Veel stakers hadden overigens inmiddels op verschillende plaatsen in het land al werk gekregen.

Op 24 november van dat jaar kwam de Sluziger de laatste maal met een bericht over de staking, beter gezegd met de gevolgen van de staking. Het was het Tweede Kamerlid W. van der Sluis opgevallen, dat de financiële positie van de gemeente Blokzijl onhoudbaar was vanwege de staking bij de firma Loos. De heren Loos, die niet toestonden dat arbeiders zich organiseerden, waarop een staking uitbrak, die meer dan twee jaar duurde, zo zei hij bij de behandeling van de begroting van Binnenlandsche zaken en Landbouw. "De menschen hebben zich doodgestaakt. Van het bedrijf is maar heel weinig meer over en de bevolking is geruïneerd", aldus Van der Sluis. De minister gaf toe dat de gemeente Blokzijl er slecht voor stond en dat belastingen er bijzonder hoog waren. De zaak was in behandeling gegeven bij Gedeputeerde Staten.

 

 

Het einde van houtbedrijf Loos

Het aantal inwoners van Blokzijl was tijdens de staking gestadig teruggelopen en het zou nog verder afnemen. De lasten voor de gemeenschap moesten door een jaarlijks kleiner wordende groep inwoners werden opgebracht. Van de Blokzieligers mocht niet het onmogelijke worden gevraagd. Op de gemeentebegroting gaapte dan ook een fiks tekort.

 

 

De gebroeders Loos hadden na het afblazen van de staking een tweetal vrachtauto's aangeschaft, trucks met opleggers. Ze hoopten zo door een vlotte uitvoering van de bestellingen hun goede positie van vroeger op de houtmarkt te heroveren. De arbeidsproductiviteit van hun bedrijf had door gebrek aan ervaring van hun nieuwe personeel helaas nog steeds niet weer het niveau bereikt van vóór de staking. Daardoor konden ze moeilijk concurreren. Bovendien was er minder vraag naar timmerhout vanwege een geringere bedrijvigheid in de bouw. En die vraag zou in 1929 en de jaren van de economische depressie daarna nog verder afnemen. Die malaisejaren waren voor het financieel verzwakte bedrijf teveel. In 1931 ging de 'zaogemeule' tenonder. Jan en Wessel Loos konden niet meer aan hun betalingsverplichtingen voldoen.

De Sluziger kondigde op 30 juli 1931 het einde van het lange Loostijdperk aan. Onroerende goederen werden bij opbod verkocht en een maand daarna verlieten Jan Loos en zijn vrouw baronesse Clara Constance Westerholt van Hackfort hun woonplaats Blokzijl. Ze gingen naar Zaandam, waar Jan - naar men zei - een baan had gekregen als boekhouder bij een houthandelaar. Wessel, nog steeds ongetrouwd, verruilde Blokzijl een dag of tien na hen voor Amersfoort.

Een maand na de 'groote verkooping' verlieten Jan Loos en zijn vrouw baronesse Clara Constance Westerholt van Hackfort hun woonplaats Blokzijl. Ze gingen naar Zaandam, waar Jan - naar men zei - een baan had gekregen als boekhouder bij een houthandelaar. Wessel, nog steeds ongetrouwd, verruilde Blokzijl een dag of tien na hen voor Amersfoort.

 

Dit artikel is eerder verschenen in Kondschap, september 2002. Het gesprek met Berend Oosten is op 22 en 29 november 1988 vastgelegd door T.R. Stegeman en verder zijn in dit artikel de gegevens van Willem P. Zwuup verwerkt.

 

Reacties