Verhaal

De Blokzieligers aan het einde van de Franse tijd (1795-1813)

De Blokzieligers aan het einde van de Franse tijd (1795-1813)

Hun beroep en godsdienstige gezindte

Het registre civique (burgerlijk register) van 21 mei 1811 geeft een opsomming van de namen en voornamen van de Blokzieliger gezinshoofden met hun geboortedatum en hun beroep. De samensteller is er niet in geslaagd van iedereen alle gevraagde gegevens te achterhalen. Zo is bij verschillenden wel een jaar van geboorte maar niet de datum vermeld. Anderen waren tijdens zijn rondgang niet aanwezig; bij hen staat in de kolom geboortejaar: 'niet te huis'. Maar ondanks deze onvolkomenheden geeft het register een goed beeld van de wijze waarop de inwoners van de fortresse aan de kost kwamen.

Op 4 juni 1812 zou er opnieuw een register worden aangelegd van de hoofden van de gezinnen. Door de gegevens die werden gevraagd kreeg dit register het karakter van een volkstelling. De gezinshoofden moesten namelijk ook hun burgerlijke staat opgeven, de samenstelling van hun gezin, hun beroep en hun godsdienstige gezindte.

Vermoedelijk was deze telling een uitvloeisel van het decreet dat keizer Napoleon op 18 augustus 1811 had uitgevaardigd. Hierbij werd voor de bewoners van ons land een vaste familienaam verplicht gesteld. Zo zou bijvoorbeeld Willem, de zoon van Jacob Hendriks, vanaf dat jaar niet meer als Willem Jacobs worden ingeschreven - zoals tot dan toe vrij veel gebeurde - maar als Willem Hendriks, indien men tenminste Hendriks als familienaam had gekozen. Met de familienaam, waarop het gezinshoofd zijn keus had laten vallen, zou hij worden ingeschreven in het bevolkingsregister en deze familienaam zou iedere nakomeling, ook in de tweede en volgende generaties voortaan dragen.

Voor het opnemen van de gegevens voor het register van 1812 in Blokzijl werd voor elk van de vier wijken een burger ingeschakeld en wel de wijkmeester. Helaas is alleen het register van wijk nr. 3 bewaard gebleven. De wijkmeester daar was de winkelier Herman Bouwman.

Evenals uit het registre civique van mei 1811 valt uit de opgave van Bouwman van juni 1812 duidelijk op te maken dat ons land in die jaren was ingelijfd bij Frankrijk. Er werden namelijk nogal wat Franse woorden in gebruikt als noms, prénoms en qualification in plaats van: familienaam, voornamen en beroep. De beroepen zelf werden overigens overwegend met de Nederlandse naam aangeduid. Wel vermeldde Bouwman dat de schout Lambert Eindhoven het ambt van maire uitoefende en de ontvanger Jacob Bavink dat van percepteur. En een zekere Jan Kempen, in mei 1811 nog sjouwer en koopman, had bij Bouwmans rondgang geen affaire meer.

 

 

Wijkmeester Bouwman is minder toegeeflijk geweest dan de teller op 21 mei 1811. Zijn lijst is althans volledig ingevuld. Van de 92 gezinnen in de wijk nr. 3 was er één gehuisvest op een schip. Dit deel van de gemeente had 403 inwoners; 298 van hen waren Nederlands hervormd, 73 doopsgezind, 28 joods, 5 rooms-katholiek en 3 luthers.

Dankzij de tellingen, die daarna zo nu en dan werden gehouden, kon schout Eindhoven op 18 november 1818 vermelden dat er 1452 personen in zijn gemeente stonden ingeschreven: 795 van hen waren van het mannelijk en 693 van het vrouwelijk geslacht. De verdeling naar godsdienstige gezindte was; 1128 Nederlands hervormd, 245 doopsgezind, 61 joods, 14 rooms-katholiek en 4 luthers.

 

 

De bevrijding had een prijs

Veel namen uit de registers van 1811 en 1812 zijn in de laatste maanden van 1813 en de eerste van 1814 weer vermeld. Dan niet in registers maar in brieven en in rekeningen die schout Lambert Eindhoven instuurde bij de gewestelijke overheid. Ons land werd in het laatste kwartaal van 1813 verlost van de Franse overheersers. Eenheden van de geallieerde legers, die Napoleon half oktober van dat jaar bij Leipzig versloegen, hadden over het algemeen weinig moeite met het geringe aantal Franse soldaten dat na de val van hun keizer nog niet was gevlucht naar hun vaderland. Groepen Russische militairen - in hoofdzaak Kozakken - trokken door het inmiddels door de bezetters verlaten Noordwest-Overijssel.

Op 18 november van dat jaar 's ochtends om vijf uur deed een ploegje van zes mannen Blokzijl aan. De schout besloot hen in overleg met enkele leden van de gemeenteraad van eten en drinken te laten voorzien. Zelfs gaf hij ze op hun verzoek vijf el laken, waarna ze terugkeerden naar hun kwartier in Zwartsluis.

Waarschijnlijk aangelokt door de gulle ontvangst die deze zes ten deel was gevallen, meldde zich de volgende morgen om negen uur opnieuw een groep uit dat kwartier, weer een zestal. De kerels waren minder beleefd dan het stel van de vorige dag en ze vroegen meer. Schout Eindhoven trommelde daarom alle raadsleden op en liet tevens de in zijn gemeente woonachtige Godschalk Vink komen. Vink kende Russisch en kon zodoende als tolk optreden. Het was niet weinig wat deze Kozakken wilden. Behalve eten en drinken stonden er honderd el fijn linnen, vijftig paar handschoenen en dertig paar laarzen op hun wensenlijst. Godschalk maakte de soldaten duidelijk dat er alleen aan het eerste kon worden voldaan. Ze bleven evenwel aanhouden.

Uiteindelijk gingen ze tegen drieën in de middag weg met een goed gevulde maag, twee zijden doeken, twee paar handschoenen en honderdvijftig gulden.

Nauwelijks waren de schout en zijn medebestuurders van de hebberige bezoekers af of er dienden zich vier anderen aan. Evenals het ploegje van die morgen en dat van de vorige dag kwamen ze uit Zwartsluis. Ze gingen wild tekeer en onder het uiten van allerlei dreigementen vroegen ze om veertig jassen en zes paar laarzen. Waarschijnlijk heeft hun uitrusting, wat de kleding en het schoeisel betreft, te wensen overgelaten en waren ze beducht voor de komende winter en de lange terugtocht naar huis. Vink trad ook deze keer als tolk op. Met een oorlogsbuit van ruim vijfentwintig el gewoon en negentien el fijn linnen dropen ze at. Ze waren er blijkbaar niet tevreden mee, want niet lang daarna - het was ondertussen avond geworden - kwamen verschillende bewoners bij Eindhoven met de klacht dat ze door het viertal waren beroofd van geld, beddengoed en andere spullen.

 

 

Het werden dure dagen voor de fortresse, zo zou spoedig blijken. De leveranciers van de goederen dienden hun rekeningen in bij het gemeentebestuur. De ontvanger Jacob Bavink betaalde hun meer dan 500 gulden uit. Daar waren de foerage voor de paarden en het eten en drinken voor de manschappen bij inbegrepen.

De bedragen die Bavink moest betalen voor het onderhoud van de paarden en de soldaten vallen in het niet bij de 350 gulden die hij voor de leveranciers van de rollen laken en linnen op tafel moest leggen. Welke Blokzieligers dat geld incasseerden wordt uit de opsomming niet duidelijk.

De negende december kreeg de weduwe Groen vijf ruiters op bezoek. De dieren moesten haver en hooi hebben en de soldaten bestelden eten en drinken. De dorst van de mannen was blijkbaar op zijn minst zo groot als hun honger. Dat niet alleen verschillende Russische bevrijders er vreemde praktijken op na hielden werd op 30 december duidelijk. Een Pruisische officier die in opdracht van 'zijn Hoogheid onzen Souverein' op weg was van Den Haag naar Berlijn - zo gaf hij tenminste voor - vroeg bij de weduwe Groen voor hem en zijn knecht eten en drinken. Na de maaltijd eiste hij tijdelijk twee gezadelde paarden om een eind op weg te kunnen. Hij kreeg ze. De dieren kwamen later terug naar Blokzijl, maar de zadels met een waarde van twintig gulden waren verdonkeremaand.

Met de tot nu toe genoemde uitgaven, die de bevrijding met zich bracht, was het gemeentebestuur er nog niet af. Niet alle Franse militairen in het noorden van het land waren namelijk bij de komst van de geallieerde troepen naar huis vertrokken. Zij die in de dorpen in Drenthe ingekwartierd waren geweest, hadden uit angst voor de Kozakken de vlucht genomen naar Coevorden. Bevelhebber David voelde zich volkomen veilig in deze vestingstad. Hij had er 900 manschappen tot zijn beschikking en op de wallen stonden bijna honderd kanonnen en veertig mortieren. Door de beken bij de stad af te dammen had hij het land rondom in een moeras veranderd. De voorraden voedsel voor de bevolking en de bezetting was voldoende groot om het tot het voorjaar uit te zingen.

Davids soldaten deden telkens uitvallen naar buiten waarbij ze de omgeving afstroopten. Kozakken en vrijwilligers en naderhand ook burgers uit de verre omtrek, die waren opgeroepen om te dienen bij de Landweer, brachten de Fransen gevoelige klappen toe. Toch bleef de commandant weigeren de stad over te geven.

 

 

Er woonden niet uitsluitend lieverdjes binnen de wallen

De gemeenteraad van Blokzijl kwam in de roerige weken vóór en na de bevrijding vrij vaak bijeen. Voorzitter van de raad was de al enkele keren genoemde schout Lambert Eindhoven, in deze functie in die tijd vaak maire genoemd. Een schout was tevens rechterlijk ambtenaar en notaris. Als adjunct-maire en eveneens gewoon lid fungeerde Roelof Coops Keuter, van beroep koopman en directeur van het Scheepsdiep. De mannen hadden het niet gemakkelijk en ze zagen met lede ogen veel geld uit de gemeentekas wegvloeien. Te zijner tijd zouden ze het uit de Haagse schatkist terugkrijgen, maar voorlopig waren ze het kwijt. De meeste raadsleden konden de beslommeringen tijdens hun dagelijkse werk nog eens vergeten, Eindhoven bleef er echter mee zitten.

Alsof de man nog niet genoeg te tobben had, werd hem op vrijdag 31 december door een paar plaatsgenoten meegedeeld dat verscheidene inwoners tijdens het eerste weekend van het nieuwe jaar de bloemetjes flink buiten wilden zetten. Het mocht wel een keer, zo hadden de boodschappers van hen gehoord, ze waren nu immers vrij! De mannen waren bezorgd en verzochten de schout de cafés op zaterdag- en zondagavond om tien uur te laten sluiten, teneinde de viering niet uit de hand te doen lopen. Een met spoed aan te stellen vrijwillige

burgerwacht zou erop moeten toezien dat er na sluitingstijd niet meer werd getapt. ln overleg met de in allerijl opgeroepen raad werd aldus besloten. Schipper Jan van Veen werd benoemd tot hoofd van de wacht. Dat weekend was het volledig mis in Blokzijl en op maandag bracht Eindhoven uitvoerig verslag uit van het gebeurde in het afgelopen weekend in Blokzijl aan de commissaris-generaal van het departement van de Monden van de IJssel. Hij schreef dat hij vond dat het kwaad diende te worden gestraft in het belang van de veiligheid van zijn gemeente.

 

Deze tekst van T.R. Stegeman is eerder verschenen in Kondschap, december 1994

Reacties