Verhaal

1815, Een bewogen jaar in de geschiedenis van de Gieterse scholen

Auteur: 
W.H. Dijksma

Het was in de maand februari van het jaar 1815, dat de toenmalige schout van de gemeente Giethoorn, de heer J.C.F. Kaempff, geconfronteerd werd met het overlijden van de onderwijzer van de school in Giethoorn-Noord, de heer Lucas Posthumus.

Op de dag van het overlijden op 22 februari 1815 richtte Kaempff zich in een uitvoerig schrijven tot 'den Heer Schoolopziener van het derde district' met de mededeling, dat Lucas Posthumus die dag was overleden: 'het zal overtollig zijn UWEN en ZG de dringende noodzakelijkheid voor te stellen welke de vervulling dezer vacante post komt te vereischen daar deze de hoofdschool der Gemeente is en alzo het grootste gedeelte der jeugd van het voor haar zo nuttig als noodzakelijk onderwijs verstoken is...'

Schout Kaempff dringt er in dezelfde brief dan ook op aan, dat er zo spoedig mogelijk een sollicitatieprocedure op gang komt en hij vermeldt daarbij de hoogte van het traktement, dat hij als volgt specificeert:

Uit deze opsomming kan worden vastgesteld, dat de ouders van de schoolgaande kinderen een aanzienlijke bijdrage moesten leveren in het traktement van de onderwijzer, hetgeen blijkt uit het bedrag van ca. F 250,- dat het 'gewone schoolgeld' wordt genoemd. Maar wat moeten we ons voorstellen bij het 'vrugtgebruik' van het kerkhof? Misschien mocht de onderwijzer het gras maaien.

Het overlijden van de onderwijzer was er de oorzaak van dat er voor de schout veel werk aan de winkel was, want op dezelfde dag richtte hij zich tot de gouverneur van de provincie, die hij eveneens op de hoogte bracht van het heengaan van de heer Posthumus en aan wie hij toestemming vroeg om door middel van een advertentie in de provinciale courant zo spoedig mogelijk sollicitanten op te roepen.

Aangezien de heer Posthumus tevens kapitein was bij de 6de compagnie Landstorm moest ook, eveneens op de 22ste februari 1815, de Luitenant Kolonel schriftelijk op de hoogte worden gesteld van het overlijden. Dat de gouverneur van de provincie ook van mening was, dat in de vacature met spoed moest worden voorzien, blijkt wel uit een brief van de schout van 1 maart 1815, gericht aan de heer Tijl te Zwolle, met de volgende inhoud:

Het voortgaan van het onderwijs aan de jeugd ging de schout zeer ter harte. Uit een brief van 6 maart 1815 aan de heer schoolopziener vernemen wij 'dat tot de provisionele vervulling der vacante schoolmeester Post in de Noorder School alhier is aangesteld Peter Peters Bollen zijnde de zwager der overledene'.

In deze brief lezen wij verder, dat de schoolopziener van mening was, dat een zekere Van IJsveen de voorkeur zou hebben verdiend in de tijdelijke vervulling van de betrekking, maar de schout verdedigde de benoeming van Bollen met twee argumenten en wel ten eerste dat hem uit rapporten, die hij over Van IJsveen had ontvangen was gebleken, 'dat dezelve een voorname kampvegter moet zijn en daarvoor reeds in actie geweest moet hebben en gevangen zijn geweest'. Voorts komt hij op voor de weduwe van L. Posthumus, die, in geval van een tijdelijke benoeming van Van IJsveen, direct de onderwijzerswoning had moeten verlaten, terwijl ze, nu haar zwager tijdelijk waarneemt, nog voor korte tijd kan blijven wonen.

Bijna aan het eind van de sollicitatietermijn, nl, op 29 maart 1815, stelt de schout aan de schoolopziener voor om het vergelijkend examen der sollicitanten op vrijdag 15 april te doen plaats hebben ten huize van Willem Dijksma. Hij schrijft, dat hij het belangrijk vindt, dat de sollicitanten tijdig op de hoogte worden gesteld, aangezien 'een derzelver op Schokland een andere bij Deventer woonachtig zijn'. De schoolopziener is het met de gang van zaken eens, want op 1 april 1815 richt de schout zich in een brief tot de sollicitanten met de volgende oproep:

En dan komt de dag van het vergelijkend examen. Er blijken zeven sollicitanten te zijn opgekomen, t.w.: Schrijver met de 2e rang en verder de heren Wenning, Springstok, Laan, Terwee, Weijenberg en Dijksma allen met de 3e rang. De examencommissie (bestaande uit de schoolopziener en leden van het plaatselijk bestuur) komt tot de volgende bevindingen:

1. Vooral in aanmerking komen: Schrijver (2e rang) Laan, Dijksma, Springstok (allen met de 3e rang)
2, Maar bijzonder geschikt als koster, voorzanger en schoolmeester worden aanbevolen:

Schrijver met de 2de rang en Dijksma met de 3de rang.

Reeds op 1 mei 1815 heeft de gouverneur zijn goedkeuring gegeven aan de benoeming van Dijksma. Op grond waarvan voor Dijksma werd gekozen, blijkt uit de briefwisseling niet. Zijn naaste concurrent Schrijver had weliswaar de 2e rang, maar toch ging de voorkeur naar Dijksma uit. Misschien kon Roelof mooier en zuiverder zingen, hetgeen zijn nevenfunctie als voorzanger ten goede kon komen. Bijna drie maanden na het overlijden van de heer Posthumus kon de schout aan de schoolopziener de volgende brief schrijven:

Voor het eerst wordt de benoemde Roelof Willem Dijksma genoemd, waaruit wij waarschijnlijk kunnen concluderen, dat Roelof een zoon was van Willem, de kastelein nabij de kerk. De nog maar een paar maanden in dienst zijnde onderwijzer Roelof Dijksma, ontving in het begin van de maand augustus 1815, de navolgende brief van de schout van Giethoorn:

De lijst, welke was ingesloten, was onderverdeeld in drie groepen t.w.: gereformeerden, zuider doopsgezinden en noorder doopsgezinden. Onder de groep gereformeerden dienen die personen te worden verstaan, die nu tot de Herv. Kerk zouden behoren. De afscheiding van hen, die wij nu gereformeerd noemen, had later in de 19e en 20ste eeuw plaats.

Voordat de schout deze brief aan onderwijzer Dijksma verzond, had hij zich al in een uitvoerig schrijven van 1 augustus 1815 tot de armbesturen in zijn gemeente gericht. Hij wees de armbesturen op de artikelen 1 en 13 van 'het huishoudelijk schoolreglement', waarin werd bepaald, dat kinderen van bedeelden in de leeftijd van 8 tot 12 jaar, de school geregeld moesten bezoeken. Hij verzocht de armbesturen om degenen die in gebreke bleven, hun uitkering te onthouden.

Hij eindigt de brief met de mededeling, dat hij de onderwijzer van de Noorderschool heeft opgedragen hem van tijd tot tijd in te lichten inzake het schoolbezoek van de kinderen van de bedeelden. De belangrijkste school was de Noorderschool. Er bevonden zich verder een school in het Zuideinde van Giethoorn en één in Jonen en Dwarsgracht.

Dat de Noorderschool als de hoofdschool gold is niet zo verwonderlijk. Immers, het noordeinde en de middenstreek waren vóór de stormvloed van 1825 de belangrijkste delen van de gemeente Giethoorn. Het gemeentehuis stond in de middenstreek en uit verscheidene brieven komt naar voren, dat zich nabij de Herv. Kerk in Giethoorn-Noord een herberg bevond, welke lokaliteit voor diverse openbare aangelegenheden werd gebruikt.

Aan de Zuiderschool werd tot in het begin van het jaar 1815 slechts gedurende de zes najaarse- en wintermaanden onderwijs gegeven. En ook op de derde school, die van 'Jonen en Dwarsgragt' is een vacature en ook hier is het schoolfonds niet toereikend om de nieuw te benoemen leerkracht te betalen. Daar wordt echter ook een oplossing voor gevonden. Zo krijgt de meester f 25.- uit ’s lands kas en f 25.- van de ingezeten boven de kost en inwoning voor het geven van onderwijs vanaf 1 november tot uiterlijk april. Als al deze zaken zijn geregeld, kan tot aanstelling van twee nieuwe onderwijzers worden overgegaan.

Tot slot zij nog vermeld, dat de schoolopziener een bedrag van f 8,- in rekening bracht voor het afnemen van het vergelijkend examen voor de zuiderschool en de school te Jonen en Dwarsgracht, terwijl er door W Dijksma, kastelein nabij de kerk, een rekening van vijf gulden en zes stuivers werd ingediend, 'wegens vertering bij gelegenheid van het afnemen van het vergelijkend examen'.

*Dit artikel is eerder geplaatst geweest in Kondschap, maart 1993.

Reacties